Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft

JanBoerstoel
Foto: Wikimedia Commons
 
Jan Boerstoel beantwoordt enkele vragen van Inge Boulonois over de sonnettine oftewel het 'Boerstoel-sonnet'
 
Het verhaal gaat dat Jan Boerstoel indertijd de versvorm bedacht en dat Drs. P er later de naam ‘sonnettine’ aan gaf. Deze elegante jambische vorm bestaat uit twee vierregelige strofen en een liefst theatraal distichon. Qua lengte zit het fraai tussen sonnettette en sonnette enerzijds en sonnet anderzijds in. Het rijmschema is abba cddc ee waardoor het op een Shakespeare-sonnet lijkt waaraan een kwatrijnontbreekt.  
Hoe is die vorm ontstaan? Als rijmschema geeft Het vrije vers niet uitsluitend abba cddc ee, maar ook abba abba cc. In de verzamelbundel 'Veel werk' uit 2000 tref ik alleen de vorm met vijf rijmklanken aan. Heeft Jan Boerstoel die met drie zelf wel eens geschreven, vroeg ik me af?
Helaas leidt de vorm weleens tot misverstanden. Dat komt doordat in 1994 'De troost van hagelslag' verscheen, een bundel van Herman Pieter de Boer. Volgens het voorplat bevat de bundel 116 sonnettines. Op de achterkant lees ik: ’Zoals in de muziek de sonatine een sonate van kleine omvang is, licht van aard, zo is in de dichtkunst van Herman Pieter de Boer de sonnettine een licht en klein sonnet’.
Zijn sonnettines tellen echter geen tien maar veertien regels, geen pentameter maar een tetrameter; het rijmschema is, evenals het Franse sonnet, abba abba ccd ccd, In 1978 kwam van De Boer trouwens al het bibliofiele bundeltje 'Zeven sonnettines' uit, dat is vóór Boerstoels 'Poésie d’Amour', een bundel met uitsluitend sonnettines. Van wie is nu eigenlijk de ‘sonnettine’ en hoeveel regels telt deze vorm?
Jan Boerstoel was zo vriendelijk mijn vragen te beantwoorden. 
 
 
Om te beginnen, de term sonnettine bestond al. Ik ben sinds januari 1983 in het bezit van het boekje ‘Louter Streelzucht en andere sonnettines’ ( Uitgeverij Fontein / United Dutch Dramatists, Den Haag 1982) van Herman Pieter de Boer met daarin zo’n 100 ‘echte’ sonnetten.
Eind mei 1983 kwam ik via de uitgeverij in contact met het Amsterdamse reclamebureau Ted Bates. Die planden een campagne voor het promoten van Franse wijnen uit het Bergeracgebied. De bedoeling was om een klein boekje te maken dat aan de hals van een fles gehangen kon worden. Zij dachten aan 20 nieuw te schrijven toepasselijke kroegversjes of maximaal 10 wat langere gedichten. Na enig overleg besloot ik tot het laatste. Aanvankelijk leek het (kleine) rondeel mij wel geschikt, maar nadat ik er één geschreven had kwam ik toch tot de conclusie dat ik in die vorm te weinig kwijt kon. Vervolgens stelde ik shakespearesonnetten voor, ook een vorm waarvan ik hield, vooral vanwege het theatrale effect van de distichon aan het eind, maar het geplande boekje bleek te klein voor veertien regels per pagina. Ten slotte besloot ik om dan maar een kwatrijn weg te laten en zo ontstond het eerste vers in de nieuwe vorm, waarvoor toen nog geen naam bestond.
 
Truffels
 
In Bergerac gaan varkens aan de lijn
om met hun snuit de bodem los te woelen
op zoek naar ondergrondse paddestoelen,
die kostbaarder dan goud heten te zijn.
 
De truffel, die bij ieder eetfestijn
het toppunt vormt van ’s gastheers goed bedoelen,
bereikt ons dus, voor hen die dat zo voelen,
via de natte snufferd van een zwijn.
 
Gelukkig, dat ook hier, gewoon de wijn
slechts mensenhanden vraagt om goed te zijn.
 
Dat was ook meteen het enige vers met slechts twee rijmklanken dat ik maakte. Daarna kwam er nog één met drie rijmklanken en uiteindelijk werd vijf de norm. 'Chambre à deux' heeft drie rijmklanken en komt evenals 'Truffels' uit ‘Poésie d’Amour’. 
 
Chambre à deux
 
Een kamer met behang in zeven kleuren
en met een bed, dat onbehoorlijk kraakt
bij iedere beweging die je maakt:
ziedaar ons resultaat van uren leuren.
 
Maar uit de keuken waaien goede geuren
van wat zo straks, sans doûte, nog beter smaakt
naar boven en het uitzicht is volmaakt,
dus moet ik maar eens ophouden met zeuren.
 
Met jou in Bergerac, de wijn, de zon.
Ik zou niet weten hoe het beter kon.
 
Sindsdien heb ik, voor zover ik kan nagaan, altijd vijf rijmklanken gebruikt (abba cddc ee). Wel varieer ik met een zekere willekeur in het eindrijm, nu eens mannelijk, dan weer vrouwelijk of slepend, en in het aantal versvoeten. Ook wil ik nog wel eens enjamberen. Dat is tot op de dag van vandaag zo gebleven. Het boekje waar het allemaal voor bedoeld was kreeg (niet op mijn verzoek trouwens) de naam ‘Poésie d’Amour’ en bevatte het ‘eerste opzet’-rondeel en zeven nieuwe ‘tienregeligen’. Aan het project was een wedstrijd verbonden, de wijndrinkers/lezers konden zelf ‘een gedichtje of wat mooie gedachten’ opsturen naar (het kantoor van de Franse landbouworganisatie) Sopexa in Den Haag en daarmee ‘een reis voor 2 personen naar de geboortestreek van Vins de Bergerac winnen. Waar dat in geresulteerd heeft kan ik mij niet meer herinneren, in elk geval niet in stapels gedichten en gedachten ter beoordeling, maar wel is mij het prettige honorarium bijgebleven.
 
Eind 1984 werd ik benaderd door Paul Arnoldussen, journalist van Het Parool, voor wie ik daarvóór toen hij aan andere bladen verbonden was wel eens wat geschreven had. Hij vertelde dat Het Parool onder de naam ‘Tijd van leven’ een nieuwe bijlage voor de zaterdagkrant voorbereidde en vroeg zich af of ik daarvoor elke week een gedicht zou willen schrijven. Uiteraard wilde ik dat en al pratend over de vorm waarin herínnerde ik mij mijn Bergeracgedichten. Vanaf december 1984 tot januari 1988 mocht ik aldus alles wat maar in mij opkwam en vooral de actualiteit elke week in die krant becommentariëren en daarnaast ging ik ook in De Tweede Ronde en andere tijdschriften ‘mijn eigen versvorm’ gebruiken. Augustus 1997 kwam het Algemeen Dagblad met het verzoek voor een wekelijkse column, wat tot september 2000, met een korte proza-onderbreking, opnieuw een hele reeks sonnettines opleverde. Inmiddels was de naam als versvorm ook een beetje van mij geworden. Sinds maart 2017 schrijf ik tweewekelijks een sonnettine in het blad Argus.
 
Wie en wanneer precies de naam sonnettine als versvorm aan mijn ‘uitvinding’ is gaan verbinden valt niet meer na te gaan. Ik meen, dat Drs.P daarmee begonnen is, maar wanneer en waarom kan ik hem (helaas) niet meer vragen. Overigens heeft Ivo de Wijs het nog lang over het ‘Boerstoel-sonnet’ gehad. Wel heeft de naam een soort bevestiging gekregen in de negende herziene druk van Jaap Bakkers ‘Nederlands Rijmwoordenboek’ uit 2008. In de afdeling ‘Dichtgids’ wordt hij op p.69 als versvorm opgevoerd met een voorbeeldvers (Reünie) van mijn hand ofwel van ‘de man die de sonnettine heeft ontwikkeld en veelvuldig heeft beoefend’. Herman Pieter de Boer heb ik in de loop van de tijd diverse keren ontmoet, maar de sonnettine  is in het collegiale contact nooit ter sprake gekomen en ook hem kan ik niet meer vragen of hij ooit iets heeft geweten van het alternatieve gebruik van ‘zijn’ benaming.
 

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

[Lai nouveau] Bij het plan voor tuigdorpen van Geert Wilders

U geeft overlast!
Dat is ongepast!
Gespuis!
Heeft u hier geplast?
Dat bushokje bekrast?
Niet pluis!
Een dame betast?
Uw inkomen verbrast?

Wat bent u voor gast?
Volkomen nefast!
Verhuis!
Pakt u dus alvast
Tv, bank, koelkast,
Fornuis...
U wordt weggejast:
U geeft overlast!

Kijk niet zo verrast!
U wordt een outcast:
Geen thuis
Voor wie hassebast
Of schreeuwt of nijdast
Dwangbuis!
U geeft overlast!
Dat is ongepast!
 

 

 

Deze tekst maakt deel uit van Project P  van Christiaan Abbing, die zich als doel gesteld heeft wekelijks een versvorm uit Versvormen van Drs. P te publiceren op zijn blog, inhakend op de actualiteit. Informatie over de Lai nouveau vind je hier.