'K ben Sinterklaas niet, en zit zonder geld.
In deez' verdoemde crisis, eerst mijn baan,
Toen liep de vrouw des huizes hier vandaan,
En ben 'k ook nog door een burn-out geveld.

Zo snel, de gang van een voorname haan,
Een speler in 't maatschap'lijk schoffelveld
Tot hulplooz', zelfgekweld' pantoffelheld.
Ziehier de ondergang; ik was Brahmaan.

En steeds vereerde 'k Haar, de Poëzie,
De harmonie van alle Schone Gunsten:

In plaats van liefde, b'dreef ik prosodie,
En op 't kantoor, orakeld'ik de Kunsten.

En nu! Tant pis! Zie ik het Brandend Licht:
Begin in Al's naam nooit aan Het Gedicht.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Omtrent een Paashaas



Een paashaas te Oud-Beierland
had jajem in zijn eiermand.
Een jager, met zijn buks geheven,
beval: ‘Je fles, vriend, of je leven.’
‘De drank is op, vandaag,’ sprak langoor,
‘en voor de dood ben ik niet bang, hoor,
want sinds ik ben getrouwd, mijnheer,
had ik meteen geen leven meer.’