Het vrije vers

Voor en door plezierdichters

Met Forum, Vorm én Vent



Het land doorweekt, de luchten grijs
en menig mens terneergeslagen.
Seizoen van storm en zilte vlagen
van brakke dijken, meeuwgekrijs.

De holle zee, verstoven duinen.
Berooide grond aan lager wal
waar bomen kreunen in verval,
met koude basten, kale kruinen.

Toch hoor je naast de straffe wind
nog vrij van droeve najaarsblues
de klare lach van ‘t blije kind.

En op de beemd -in winterslaap-
verheft zich tussen herfstgebroes
het boud geblaat, van ’t Tessels schaap.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Forum (recent...)

Uit het archief

Een kruisweg van alledaags leed

 



‘Hé Bas.’
‘Ja.’
‘Weet je wat ik denk dat nog nooit in de geschiedenis van de mensheid gedaan is?’
‘Nou?’
‘Een sonnettenkransenkrans. Een sonnettenkrans van sonnettenkransen.’
‘Dat is een behoorlijk absurd en megalomaan plan. Gedoemd om te mislukken. Wanneer beginnen we?’

Een paar weken terug vond dit gesprek plaats op het kantoor waar ik samen met Bas Jongenelen werk. Hij promoveert er op humor in de middeleeuwse literatuur in 1561, ik schrijf er mijn verhalen. We begonnen met rekenen en tellen – is het überhaupt mogelijk een sonnettenkrans van sonnettenkransen te schrijven? [Ja, het is mogelijk] Hoeveel sonnetten móeten we dan wel niet schrijven? [196] en zijn er wel genoeg rijmklanken in de Nederlandse taal om het tot een mooi en spannend vormast spektakelstuk te maken? [Ja. Maar makkelijk wordt het niet].
Na twee weken tekenen, tellen en opnieuw beginnen hebben we het hele plan in kaart gebracht en zijn we gaan schrijven. Daarbij kregen we wat hulp van bevriende dichters (onder anderen: Peter Knipmeijer, Jaap van den Born, Rosanne Hertzberger, J.A. Dér Mouw en Jeroen Kant). We schreven tot op heden 44 sonnetten. Nog 152 te gaan.



De kransenkrans

In het kort komt het hierop neer: een sonnet is een gedicht van veertien regels, met een bepaald rijmschema [in ons geval voornamelijk abba abba cde cde], een bepaald ritme [in ons geval vijfvoetig jambe] en een wending na de 8e regel. Een sonnettenkrans bestaat uit 14 opeenvolgende sonnetten waarbij de laatste regel van het eerste sonnet de eerste van het tweede is. De laatste regel van het tweede is de eerste van de derde – en zo verder, tot en met het veertiende sonnet, waarvan de laatste regel weer de eerste is van het eerste sonnet. Daarnaast moeten alle veertien laatste regels weer een kloppend vijftiende sonnet opleveren. Wederom in dat vooraf vastgelegde rijmschema.

Dus wanneer een mens veertien sonnettenkransen schrijft, krijgt hij veertien (vijftiende) sonnetten die opgebouwd zijn uit de veertien ‘basissonnetten’. Die veertien sonnetten moeten op hun beurt ook weer samen een sonnettenkrans opleveren – en dáár moet dan ook weer een kloppend vijftiende sonnet uit komen. Nooit eerder in de geschiedenis van de Nederlandse literatuur werd er een sonnettenkransenkrans geschreven. Wij begrijpen waarom. 

Een kruisweg van alledaags leed

De titel van de kransenkrans wordt Een kruisweg van alledaags leed waarin de veertien sonnettenkransen samen de veertien staties vormen. Staties van alledaags leed met als ‘fysieke ongemakken’, ‘problemen rond eten en drinken’, ‘Klusjes om en rond het huis’, ‘het debacle dat vriendschap heet’ en ‘teleurstelling in de liefde’. Een op-en-top vrolijke bundeling van gedichten, begrijpt u wel. Later, uiteraard, meer hierover.

Ps. Vooruit. Nu we er toch zijn, een voorbeeldje:

Mijn werkster geeft zichzelve zelden bloot:
Zij kent de onderkant van kast en le-
dikant, maar ook de kooi van Faraday?
Ze zingt wel psalmen als een idioot.

Ik dreigde met de ure van haar dood:
‘Nu stop met zingen en maak schoon die plee!’
‘De profundis clamavi, Domine,’
Zong zij haar psalm en zij gedroeg zich groot.

Ruwhouten planken en vergeten kieren,
(want zij behoort al kruipend tot de dieren)
en koeienmest, die kent zij ook geheid.

Ik ging naar Bommel om de brug te zien,
maar toen ik thuiskwam, was zij weg, die Trien.
’k Ben Brahman, maar we zitten zonder meid.

– Bas Jongenelen

‘k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.
Ik doe in huis het een’ge dat ik kan:
‘K gooi mijn vuilwater weg en vul de kan;
Maar ‘k heb geen droogdoek; en ik mors altijd.

Zij zegt, dat dat geen werk is voor een man.
En ‘k voel me hulp’loos en vol zelfverwijt,
Als zij mijn lang verwende onpraktischheid
Verwent met wat ze toverde in de pan.

En steeds vereerde ik Hem, die zich ontvouwt
Tot feeërie van wereld, kunst en weten:
Als zij me geeft mijn bordje havermout,

En ‘k zie, haar vingertoppen zijn gespleten,
Dan voel ik éénzelfde adoratie branden
voor Zon, Bach, Kant, en haar vereelte handen.

– JA Dèr Mouw

Voor Zon, Bach, Kant en haar vereelte handen
ben ik bereid om heel erg ver te gaan
Ik laat mijn voorgenomen klussen staan
Zou zo mijn hele huis en haard verpanden

Maar’k zou van regen in de drup belanden
Want, hoe, mijn god, begint een mens daaraan?
Het moet gezegd: de was moet ook gedaan.
Huishoudelijke plicht mag niet verzanden…

Voor haar vereelte handen, Kant, Zon, Bach,
wil ik echt héél ver gaan, zoals u weet!
Ach nee: da’s overdreven stoere praat…

Dus verf ik plinten, adem diep en lach
Want ferme taal is niet aan mij besteed –
Ik ben nu eenmaal zuiver op de graat

– Martijn Neggers

Koop koop koop