De voordeur gaat van ‘t slot ik stap over de dorpel
Er schijnt een vale zon, de blauwe lucht toont leegte
De koeien in de wei het zijn er haast wel dertig
Het is een kalme dag zo rond een uur of twaalf

Een buurman net uit bed hoewel de ochtend vordert
Wat heeft hij als ontbijt het is een bordje yoghurt
De vogel in de lucht die schat ik op een buizerd
Het is een kalme dag zo rond een uur of twaalf

Een hengelaar die vecht een ronde met een karper
Zijn snoer raakt in de war het wordt een hele puzzel
De buurvrouw met haar hond doet lievig met het mormel
Het is een kalme dag zo rond een uur of twaalf

Een wandelaar die groet hij is een mededorper
Zijn broekspijpen te kort hij kijkt op zijn horloge
Van verre klinkt geluid als van een schorre bugel
Het is een kalme dag zo rond een uur of twaalf

Een jongen in een boot verliest zowaar zijn peddel
Hij vist het ding weer op, hoewel niet zonder moeite
Ik ga maar eens naar huis mij wacht een bord andijvie
Het is een kalme dag zo rond een uur of twaalf


(De oplettende lezer zal opmerken dat dit gedicht onberijmbare woorden bevat (hoewel de zwaalf een bestaande vogel lijkt te zijn) Redactie HVV)

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Frits en Kee (Moderne ballade)

Piet Paaltjens
 
Zij heette Kee. Hij schreef zich Frits.
Zij zag wat scheel. Hij liep mank.
Een englenpaar. Maar zij erg bits,
En hij verschriklijk aan de drank.
 
Zo woonden ze in een lekke schuit,
Als twee marmotjes in hun hol.
Geregeld schold zij hem de huid
En dronk hij zich met bitter vol.
 
De tijd vliegt snel, vooral wanneer
De liefde 's levens zuur verzoet.
Hun koopren bruiloft kwam dus, eer
Het minnend paar het had vermoed.
 
In zijn verrassing leegde hij
Reeds 's morgens vroeg zijn tweede fles;
En van weeromstuit raasde zij
In ééns wel voor een week of zes.
 
Doch ziet! - Terwijl de teedre bruid
Haar eedle bruidegom en heer
Nog streelde, zonk opeens de schuit
Tot op de boom der stadsgracht neer.
 
Het water stroomde 't roefje in
En vulde in nog geen ommezien
Frits' lege fles, zijn gemalin
En ook hemzelve bovendien.
 
Toen taald' hij naar geen drinken meer,
En Keetje hield voorgoed de mond.
Dat was voor de allereerste keer
In hun gelukkig echtverbond.
 
Piet Paaltjens (Francois Haverschmidt)
14.2.1835 – 19.1.1894
Uit:  Nagelaten snikken,  De Arbeiderspers 1961