Ik ben nog lang niet levensmoe
Ik wil nog naar van alles toe
En nog veel meer

Naar Yokohama, naar mijn pa
Naar Phantom of the Opera
Naar Wormerveer

Maar alles iseen zoveel
Want telkens doe ik maar een deel
Dan stopt het weer

Mijn volgend reisje is nu naar
Het verre vreemde Tibet waar
Ik mij bekeer

Als ik me aan ’t Boeddhisme wijd
Zodat ik als ik overlijd
Reïncarneer

Mijn volgend leven kom ik toe
Aan alles wat ik nu niet doe
En nog veel meer


(Niet ingezonden bijdrage voor de Willem Wilminkwedstrijd)

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Speciaal voor de Gedichtenweek



De Nimmermerel


Mistroostig valt de avond
en sip verschijnt de maan;
ze moet nog veertien nachten
maar vindt er niks meer aan.

Een ijverige dichter
doolt peinzend door het park.
Soms struikelt hij over een schaduw,
soms trapt hij in een hark.

Soms staat hij stil en luistert
en proeft de atmosfeer…
Dan klinkt in ’t schemerduister
een droef gekwinkeleer.

Wie zingt daar in die pijnboom,
onwerelds mooi en triest?
De dichter pakt zijn zakdoek,
hij hikt, hij snikt, hij niest.

Wat ruist daar langs de takken,
wat druipt er in zijn nek?
Bijziend kijkt hij naar boven,
ziet slechts een vage vlek.

‘O maan! Jij doet me denken
aan mijn vriendin Aleid:
dat grillige, dat fletse,
die ongenaakbaarheid.

Ik stuurde haar sonnetten,
zij reageerde stug.
Zal ooit haar hart ontdooien,
zie ik haar ooit terug?’

Iets dwarrelt naar beneden,
het is een zwarte veer.
Iets ritselt in de boomtop
en fluistert: ‘Nimmermeer.’