Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft

 
Bij het aanstaande vertrek van Berlusconi

Het hield een keertje op
Zijn plaatsje aan de top
Lijkt te vergaan
De Laars geeft hem een schop
Na maandenlang getob
Verdwijnt zijn baan

Voor deze Italiaan
Was het een mooi bestaan
Omnipotent
Sex, geld en grootheidswaan
't Ontbrak hem nergens aan
Zo decadent!

'Minister-president,
Het lijkt ons evident
En arbitraal
Dat u ontslagen bent
Er dreigt faillissement
Van de moraal'

De pers spreekt klare taal
Verspreidt op grote schaal
Per krantenkop
Nieuw feitenmateriaal
Het eind van dit verhaal:
Een schuine mop

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Speciaal voor de Gedichtenweek



De Nimmermerel


Mistroostig valt de avond
en sip verschijnt de maan;
ze moet nog veertien nachten
maar vindt er niks meer aan.

Een ijverige dichter
doolt peinzend door het park.
Soms struikelt hij over een schaduw,
soms trapt hij in een hark.

Soms staat hij stil en luistert
en proeft de atmosfeer…
Dan klinkt in ’t schemerduister
een droef gekwinkeleer.

Wie zingt daar in die pijnboom,
onwerelds mooi en triest?
De dichter pakt zijn zakdoek,
hij hikt, hij snikt, hij niest.

Wat ruist daar langs de takken,
wat druipt er in zijn nek?
Bijziend kijkt hij naar boven,
ziet slechts een vage vlek.

‘O maan! Jij doet me denken
aan mijn vriendin Aleid:
dat grillige, dat fletse,
die ongenaakbaarheid.

Ik stuurde haar sonnetten,
zij reageerde stug.
Zal ooit haar hart ontdooien,
zie ik haar ooit terug?’

Iets dwarrelt naar beneden,
het is een zwarte veer.
Iets ritselt in de boomtop
en fluistert: ‘Nimmermeer.’