Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft






Er was een wolf in Luttelgeest
Die weggedwaald was van de roedel
Maar was het dan geen hond? Een poedel?
Gewoon een zwervend hondenbeest?

De eerste wolf na lange duur
Zo zeggen enthousiaste biologen
Natuurbeheer is opgetogen
Succesje van de groencultuur

Een onderzoeker meldt wat zuur:
We moeten dit dier onderzoeken
We doen het straks wel uit de doeken
Geef ons nog minimaal een uur

Het arme dier is er geweest
Maar kan het niet meer navertellen
Een auto kwam de weg afsnellen
Is dwars over de wolf gesjeesd

Er was een wolf in Luttelgeest
De eerste na een lange duur
Een onderzoeker meldt wat zuur:
Het arme dier is er geweest

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Speciaal voor de Gedichtenweek



De Nimmermerel


Mistroostig valt de avond
en sip verschijnt de maan;
ze moet nog veertien nachten
maar vindt er niks meer aan.

Een ijverige dichter
doolt peinzend door het park.
Soms struikelt hij over een schaduw,
soms trapt hij in een hark.

Soms staat hij stil en luistert
en proeft de atmosfeer…
Dan klinkt in ’t schemerduister
een droef gekwinkeleer.

Wie zingt daar in die pijnboom,
onwerelds mooi en triest?
De dichter pakt zijn zakdoek,
hij hikt, hij snikt, hij niest.

Wat ruist daar langs de takken,
wat druipt er in zijn nek?
Bijziend kijkt hij naar boven,
ziet slechts een vage vlek.

‘O maan! Jij doet me denken
aan mijn vriendin Aleid:
dat grillige, dat fletse,
die ongenaakbaarheid.

Ik stuurde haar sonnetten,
zij reageerde stug.
Zal ooit haar hart ontdooien,
zie ik haar ooit terug?’

Iets dwarrelt naar beneden,
het is een zwarte veer.
Iets ritselt in de boomtop
en fluistert: ‘Nimmermeer.’