Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft

Daar stappen ze, trots en  gewichtig
met hun borsten en neuzen vooraan,
maar doen wel op straat heel voorzichtig
alsof ze zo stuk kunnen gaan.
Met hen valt bepaald niet te spotten.
Ze dragen, lijkt het, glazen potten
Al wordt dat onhandig gedaan. 

Ze kwamen net brandschoon naar buiten,
ze zijn niet te dun of te dik.
Ze hebben beton in hun kuiten
en een ijzige kou in hun blik.
Men houdt ze voor sprookjesfiguren,
maar hun man schijnt een bank te besturen.
Dus is het niet zeker, vind ik.

Ze lopen op rails als het ware,
dus zorg dat je steeds hen ontwijkt.
En kijk eens hoe stram ze gebaren,
hoe dat op een vlaggenstok lijkt.
Ik kan me geen voorstelling maken
dat iemand hen ooit aan mag raken,
geen mens heeft dat waar ook bereikt.

Je zou kunnen denken, ’s nachts gaan ze
met jas aan en hoed op naar bed.
Daar liggen ze niet, nee, daar staan ze
en ze schamen zich op het toilet.
Men zou kunnen denken, ze schoten
het liefst alle mannen maar dood en
ze knijpen nog in hun skelet.

Het is of ze koninklijk zweven,
maar mij neemt men niet bij de neus:
de dames doen uiterst verheven
en zijn ook van glas, maar niet heus!
Je kunt ze als andere meiden
best doorhebben, slaan en verleiden.
Dan neem je hen pas serieus.

Een vertaling door Driek van Wissen van Ganz besonders feine Damen uit de bundel Lyrische Hausapotheke van Erich Kästner.

 

 

 

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Trijntje fopschip

ks

 

Omtrent een plofkip

'Plofkip geplofd' zo kopte pas
het sufferdje van Dintelsas.
Een plofkip schreef daarop getroffen:
'Wie zou er niet van zo'n kop ploffen,
want zelfs de allerdomste plofkip
beheerst de regels van 't kofschip.'

Frits Criens


Een ooi had laatst in Overbiest
Tot schande in haar hok gepiest
Denk echter niet, zo sprak het fokschaap
Dat ik nog langer in dat hok slaap
Een ram sprak toen: als ik een schaap fok
doe ik dat niet in ’t vieze slaaphok

Bas Boekelo


'Ik word', sprak 't fokschaap zwaar gefnuikt,
'te vaak als ezelsbrug misbruikt.
Ook wil ik graag van 't kofschip af;
die nepschuit wordt nog eens mijn graf.
Wie zou mijn oormerk willen dragen?
Ik ga het aan de fakespecht vragen.'

Wim Meyles