Het vrije vers

Voor en door plezierdichters

Met Forum, Vorm én Vent

Welkom, Gasten
Gebruikersnaam: Wachtwoord: Onthoud mij

Onderwerp: Het kamerlid ziet Groenewegen winnen

Het kamerlid ziet Groenewegen winnen 10 maanden 3 weken geleden #1

Het is vandaag de laatste dag, en Froome gaat zeker winnen!
Ze zitten samen, Kurt en Cor, gespannen voor de buis.
En kijk daar Matthews met die lach; die heeft de buit al binnen.
Maar wie neemt er in Kittels spoor de ritwinst mee naar huis?

Natuurlijk wie het chardst kan trappen! Dat laat zich wel raden,
zegt babcia, net als atletiek; het is geen schaakduel!
De heren moeten dan wel happen: Wielerheldendaden
zijn enkel haalbaar door tactiek; het is een draaiboekspel.

Dan spreekt het kamerlid: Dat klopt, dat durf ik te beamen.
Die langgerekte fietsendans is levend mozaïek.
Alleen een team bereikt de top; voor prijzen werk je samen.
Een kenmerk dat de Tour de France deelt met de politiek.

Jouw analyse is een kwelling, loze informatie.
De kopgroep, volgens Kurt en Cor, is net weer bijgepakt.
De sprinters komen nu in stellling voor de slotprestatie.
Wat is dat voor mobielgemor? Wie zoekt er nu contact?

Dat moet mijn kamerfractie zijn. Ik zal ze laten wachten
totdat ik weet of Dylan wint. Het is van landsbelang,
want ritwinst kan formatiepijn bij toverslag verzachten.
Hou op met praten, het begint! Daar heb je het gedrang.

Maakt Groenewegen daar een fout? Hij is al uit de blokken!
Hij redt het niet, dat is een feit, want Greipel haalt hem in.
Die aanvalsactie is te boud; hij is te vroeg vertrokken.
Ze kijken samen hoe hij strijdt vol overwinningszin.

Hij wint ... hij wint ... Hij heeft gewonnen! roepen Cor en Kurt.
En babcia zegt: Een côte du Rhône past bij deze spoert.
Laatst bewerkt: 10 maanden 3 weken geleden door Hendrikje de Koning.
Alleen ingelogde leden kunnen reageren.
Tijd voor maken pagina: 0.142 seconden

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Forum (recent...)

Uit het archief

De Warbels



I
Ze gingen naar zee in een zeef, jawel,
in een zeef al naar de zee.
Hun vrienden vonden ’t ondoordacht
maar bij winters weer en bij windkracht acht
gingen zij in een zeef naar zee!
En toen de zeef aan ’t tollen sloeg
en iedereen riep: ‘Nu is ’t genoeg!’    
riepen zij: ‘Goed, groot is hij niet,
maar dat maakt ons geen sikkepit uit, geen biet!
In een zeef gaan wij naar zee!’
     Wie weet waar, wie weet waar
     toch het volk van de Warbels leeft?
     Hun handen zijn blauw, groen is hun haar
     en ze gingen naar zee in een zeef.
 
 
II
Ze zeilden weg in een zeef, jawel,
in een zeef, heel enthousiast.
Door stormvlagen voortgejaagd, mijl na mijl,
met enkel een grasgroene sjaal als zeil
en een pijp bij wijze van mast.
En iedereen zei, die hen zag gaan:
‘O hemeltjelief, ze gaan eraan!
Want de reis is lang en pikzwart is het zwerk,
zo’n zeefvaart is echt onbegonnen werk,
o hou je hart toch vast!’
     Wie weet waar, wie weet waar
     toch het volk van de Warbels leeft?
     Hun handen zijn blauw, groen is hun haar
     en ze gingen naar zee in een zeef.
 
 
III
Het water liep gauw erin, jawel,
het water liep gauw erin.
Dus ze vouwden roze vloeipapier
om hun voeten, keurig en zonder kier,
en dat speldden ze vast aan hun kin.
En ze sliepen ’s nachts in een pot van steen,
‘Wat slim hè?’ zeiden ze een voor een.
‘Hoe lang ook de reis en hoe zwart het zwerk,
dat de zeefvaart slecht afloopt dat lijkt ons sterk:
we zwalken hier naar ons zin!’   
     Wie weet waar, wie weet waar
     toch het volk van de Warbels leeft?
     Hun handen zijn blauw, groen is hun haar
     en ze gingen naar zee in een zeef.
 
 
IV
Ze zeilden voort, de hele nacht,
en toen de zon verdween
toen floten en kweelden ze manezang
en hun gongslagen echoden eindeloos lang 
langs de bruinige bergen heen.
‘O paukepam! Welk aangenaam lot
dat we dankzij die zeef en die stenen pot
hier heel de nacht in de maneschijn
met grasgroen zeil zo aan ’t zeilen zijn,
langs de bruinige bergen heen!’   
     Wie weet waar, wie weet waar
     toch het volk van de Warbels leeft?
     Hun handen zijn blauw, groen is hun haar
     en ze gingen naar zee in een zeef.
 
 
V
Ze bezeilden de Westerzee, jawel,
naar een land van dicht donker woud.
En ze kochten een kar en een papegaai
en een pondje rijst en een bosbessenvlaai
en een bijenkorf, gonzend goud.
En ze kochten wat groene kauwen, een zwijn
en een aap met vingers van marsepein,
en veertig flessen met Jo-de-Lo
en Edammer, extra oud.
     Wie weet waar, wie weet waar
     toch het volk van de Warbels leeft?
     Hun handen zijn blauw, groen is hun haar
     en ze gingen naar zee in een zeef.
 
 
VI
En ze keerden weer, na twintig jaar,
na heel die lange tocht.
En iedereen zei: ‘Wat onverwacht!
Ze zijn terug van de Moordkaap, de Gordel van Smacht
en de Jammerdebammerbocht!’
En ze riepen proost en richtten spontaan
een feestbanket van gistknoedels aan.
En iedereen zei: ‘Als ik lang genoeg leef
dan ga ik ook naar zee in een zeef,
naar de Jammerdebammerbocht!’
     Wie weet waar, wie weet waar
     toch het volk van de Warbels leeft?
     Hun handen zijn blauw, groen is hun haar
     en ze gingen naar zee in een zeef.
 
 
The Jumblies, Edward Lear (1812-1888)
 
 

Koop koop koop