Ha monnhauser, dank voor je reactie!
Ik heb natuurlijk over deze zin nagedacht en wil je mijn overwegingen bij het maken schetsen. Omdat in de vorige regel er in het hoofd van Quirijn een ‘heel vaag’ idee ontstond, kan het natuurlijk nooit iets met ‘veel’ allure (oid) zijn. Maar uit dit idee met ‘enige’ allure ontstaat - al werkend - dan toch een mooi kunstwerk. Enfin, jij – en anderen mogelijk ook – vinden dit niet mooi. Ik ga erover nadenken.
En dan over het metrum: ik had in mijn hoofd dat men de zin als volgt zou lezen:
“een BLAUWdrukje met WAT alLUre”
Denkend aan onze discussie over
klemtoon en metrum begreep ik dat drie onbeklemtoonde lettergrepen in een jambisch metrum geen enkel bezwaar opleverde en je gaf hier zelf als voorbeeld: "naTUUR is voor teVREdenen en LEgen"
Ik zie zo snel geen verschil met wat ik hier nu doe, maar misschien vergis ik mij. Zo ja, dan hoor ik dat graag.
Ik doe trouwens iets soortgelijks (maar in de andere richting) in de laatste regel, waar ik drie opeenvolgende beklemtoonde lettergrepen gebruik:
“zich OP ZÓ’N KUNSTbeen TE verTOnen” Zie je daar een bezwaar in?
En nu ik je toch aan de lijn heb (

), zou je ‘kunstbeen’ of 'KUNST-been' schrijven?
Dank en groet,
Han