Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft

Welkom, Gasten
Gebruikersnaam: Wachtwoord: Onthoud mij

Onderwerp: Duif

Duif 15 nov 2020 21:13 #1

  • adjudant B
  • adjudant B's Profielfoto
  • Offline
  • Forumgod
  • Berichten: 429
  • Ontvangen bedankjes 573

pixabay


Een duif van meer dan anderhalf miljoen
Ik zeg het u, ik wist niet wat ik hoorde
Ik weet nog hoe zo’n beest mij ooit bekoorde
Met iets wat ik sindsdien thuis graag mag doen

Mals op een bedje van gesmolten brie
Dat is hoe ik zo’n duivenborst graag zie
De bundel Kapsoones is te koop. ISBN 9789090326634

Volg adjudant B ook op YouTube
Laatst bewerkt: 15 nov 2020 21:53 door adjudant B.
Alleen ingelogde leden kunnen reageren.
Bedankt door: Niels Blomberg
Tijd voor maken pagina: 0.343 seconden

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Nog eentje dan

Nog eentje dan en dan wordt het tijd dat die bundel eens verschijnt:



Levend Nederlands
 
Ik roep: 'Gemeen!' en: 'Werkelijk infaam!'
Très en colère hier aan myn table d'hote
Wat de couranten nu weer dorsten schryven!
 
Halfhartigheid! Van elk vaillance ontbloot!
't Zyn minne kerels, laffe lauwe wyven!
O, als ik maar niet zulke armoe leed!
 
Ik ben genoopt om wéér miskend te blyven
Terwyl ik altyd sans réserve streed
Nu, cas d'urgence, sluips onder valse naam
 
Incidemment neem ik au sérieux
De uitspraak: 'Le journal est un monsieur'

Eduard Douwes Dekker ('Ik leg mij toe op het schrijven van levend Nederlands' Multatuli)) nam in 1866, als altijd om geld verlegen, het baantje aan van Rijnlands correspondent van de Opregte Haarlemsche Courant.
Natuurlijk kon hij zijn mening niet voor zich houden en omdat dat niet mocht verzon hij een krant, de Mainzer Beobachter, waar hij tot 1869, toen zijn diensten niet meer verlangd werden, naar hartelust en breedvoerig uit citeerde en die het altijd totaal oneens was met alle kranten waar hij uit geacht werd te berichten:”(…) De Mainzer Beobachter behandelt dezen brief in eenige spottende regelen, waarin dat blad de Parijsche jongelieden berispt over hunne waanwijsheid, en besluit zijne opmerkingen met deze woorden: 'op uwe vraag, of het niet de pligt der studerende jeugd is, deze of andere waarheden te verkondigen, antwoorden wij eenvoudig: Neen, jongelieden, dat is uw pligt niet! Uw pligt is ijverig te studeren, opdat ge, na ernstige inspanning, en na in de maatschappij te hebben getoond, dat ge het regt veroverdet om als mannen medetespreken, in staat moogt zijn 'iets te verkondigen.' Voorlopig wijzen wij u terug naar uw collegiebanken…”
(Reactie op een vredesoproep van Franse studenten die in een open brief betoogden tegen een dreigende oorlog: 'De volken zijn groot, niet naar mate van de omvang hunner grenzen, maar door hun constitutiën. Frankrijk en Duitschland behooren aantedringen, niet op ruimere grenzen, maar op meer vrijheid.').