Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft

Welkom, Gasten
Gebruikersnaam: Wachtwoord: Onthoud mij

Onderwerp: Goed fout

Goed fout 21 apr 2017 12:33 #1

  • Frits Criens
  • Frits Criens's Profielfoto
  • Offline
  • Forumgod
  • Berichten: 1310
  • Ontvangen bedankjes 654
Dit is mijns inziens een niet zo geslaagd versje. En wel hierom: uit de grammatica van de tweede strofe valt op de maken dat de Hij zelf niet meewerkte aan zijn seksplannetjes. Dat is met wat lapwerk nog te repareren. Maar er zit ook een vieze innerlijke tegenspraak in. In strofe een staat dat vrouwen verkracht willen worden, volgens Baudet. Verkracht is een fout woord, in alle opzichten. Het kenmerk van verkrachting is nou juist dat slachtoffers dat niet willen. Dus is het flagrante onzin om in strofe twee te praten van een gebrek aan zin om mee te werken, want -hoewel de grammatica van die strofe anders suggereert- is het duidelijk dat de schrijver hier het gebrek aan vrouwelijke medewerking aan verkrachting bedoelt. Foei.
Alleen ingelogde leden kunnen reageren.

Goed fout 22 apr 2017 15:59 #2

  • hanna pest
  • hanna pest's Profielfoto
  • Offline
  • Forumgod
  • Berichten: 682
  • Ontvangen bedankjes 431
Ik had een naar gevoel bij het lezen van dit ollekebolleke, maar ik kon dat gevoel voor mezelf niet goed verklaren. De analyse hierboven van Frits Criens geeft die verklaring wel. Ik sluit er me helemaal bij aan.
Alleen ingelogde leden kunnen reageren.
Tijd voor maken pagina: 0.134 seconden

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

POTDOMME, zei de dominee



POTDOMME, zei de dominee. We kunnen niet naar buiten…
We zijn volledig ingesneeuwd, van hier tot aan de heg.
Tompoezen of een mokkapunt, daar kunnen we naar fluiten:
wie heden naar de bakker wil, zakt tot z’n middel weg.

Veronica zei sip: Maar ik wou sneeuwballen gaan gooien,
ik wou een sneeuwpop maken met vier voeten en een staart!
De dominee sprak omineus: Tenzij het gauw gaat dooien
wacht ons een Wisse Hongerdood en eet u nooit meer taart.

Daar zaten ze mistroostig uit het serreraam te staren.
’t Leek buiten Nova Zembla wel, zo ijselijk en guur.
De dominee die telde bitter zuchtend zijn sigaren –
toen doken er twee beren op, ter hoogte van de schuur.

De dominee riep: Sodeju, ik ga hallucineren!
Aan mij verschijnen beren in een Hongervisioen.
Het is geen sivioen, zei ’t schaap. En het zijn ook geen beren.
Ze dragen wanten en een muts – het zijn de dames Groen.

Waratje, zei de dominee, ze roetsjen naar beneden
in grote dikke bontjassen, kloekmoedig op de ski!
En als mijn oog me niet bedriegt, dan trekken ze een slede
vol brandewijn en bitterkoekjes, bolknakken en brie.

Ze takelden de proviand naar binnen langs ’t balkon.
Ziezo, zeiden de dames Groen. En nu een ijsbonbon.