Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft

Welkom, Gasten
Gebruikersnaam: Wachtwoord: Onthoud mij
Scherpe stellingen

Onderwerp: Suffixen

Suffixen 30 dec 2016 17:13 #1

Meestal is de redactie op nieuwe dingen heel alert, deze keer is het waarschijnlijk niet opgevallen, dat Marc van Oostendorp (die van "Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten ") in het digitale tijdschrift Neerlandistiek een nieuwe serie is begonnen over het taalkundige verschijnsel "suffixen". Nu is dat voor de gemiddelde light verse dichter ook niet zo interessant, ware het niet dat hij het doet in de vorm van sonnetten. Hoewel geen hoogdravende poëzie, noch geweldig light verse, en zelfs een beetje "techniek voor intimi", is het misschien toch aardig er hier een drietal op te nemen.

Suffixsonnet: –iteit
Door Marc van Oostendorp

Sommige woorden – zeg, eenvoudigheid –
Zijn simpel, saai, en strak. Niets aan te snappen.
Andere woorden zijn gestolde grappen
Dat geldt bijvoorbeeld voor de stommiteit.

De woorden op –iteit zijn meest Romaans;
hun bases ook: frivool, absurd of raar.
Die woorden hebben we dus kant en klaar
Geleend uit Frans, Latijn of Italiaans.

Zo voelt vrolijkiteit meteen als slecht,
Geen mens houdt vrolijk potentieel voor Frans,
en net zo min kan glansiteit van glans
of echtiteit gemaakt worden van echt.

Alleen met negatieve woordjes – stom en flauw –
heeft men ’t ooit gewaagd. Daar staan ze nou.

Suffixsonnet: –schap

Het broederschap: het leven in abdijen
In ziekenhuizen, op de ambulance.
De broederschap (fraternité in ’t Frans):
Ideaal voor gelijken en voor vrijen.

Het –schap met de hecht zich bij allerlei
Woorden en woordsoorten aan de rand:
Van eigen eigenschap, blijdschap van blij,
Van weten wetenschap, landschap van land.

Hoewel het Nederlands het landschap kent,
En het genootschap zich niet hoeft te schamen,
Hecht het onzijdig –schap zich liefst aan namen
Voor mensen, zoals moeder en docent.

Schap, schap en scheppen hebben alledrie
Dezelfde bron, leert d’etymologie.

Suffix-sonnet: werkwoordelijk –ig

Wanneer je iemand van iets wilt voorzien –
Van pijn, van kruis, van einden of van stenen –
Houd krachtig in gedachten dat misschien
Het suffix –ig zich voor zoiets laat lenen.

Want wie een ander pijnigt geeft hem pijn
En wie hem kruisigt, geeft hem houten balken,
Wie eindigen wil vindt het einde fijn
Gestenigd worden is stenen verschalken

Nu is –ig niet wat je noemt productief
Je kunt je eega zeker zoenen geven
Maar daarmee zoenig je nog niet je lief
Ik stevig niet als ik je help aan Steven.

Beschadig en bespoedig tonen aan
Dat –ig soms van be- vergezeld moet gaan.

Suffixsonnet: adjectivaal –ig

Hoe moet een morfoloog zijn werk toch doen?
Het is wat men ook zegt echt niet vanzelfsprekend
Wat of een suffix nu precies betekent.
Bijvoorbeeld: groenig is een vorm van groen
En je kunt zeggen dat -ig nuanceert.
Zo gaat het vaak als ’t aan een adjectief
Gehecht wordt. Lievig is een beetje lief
Maar bij een nomen gaat ’t dan verkeerd.

Want bloedig gaat gepaard met liters bloed
En mondig impliceert vaak grote monden
Hoe moet je die betekenis doorgronden?
Ik weet niet hoe een taalgebruiker zoiets doet.
Wanneer hij voor ’t eerst loslippig hoort,
Hoe snapt hij de beduiding van dat woord?
Laatst bewerkt: 30 dec 2016 17:14 door Frans Woortmeijer.
Alleen ingelogde leden kunnen reageren.
Tijd voor maken pagina: 0.138 seconden

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

De slang (Genesis 3:14)





God schiep in den beginne twintig poten aan de slang
Het lijkt wat ruim bemeten maar zo’n beest is aardig lang
Dat aantal bleek noodzakelijk om recht te kunnen staan
En tevens om van 't aardse slijk en modder vrij te gaan

Ook kreeg de slang als enig dier beheersing van de spraak
En wat -ie te vertellen had was af en toe goed raak
Iets minder dan De Jonge of collega Youp van ’t Hek
Toch kwam er slimme taal uit zijn gespleten slangenbek

Maar op een dag toen werd de slang een beetje eigenwijs
Hij smeerde Eef -De Appel- aan in ’t aardse Paradijs
De Heer ontstak in grote toorn, heeft hem de bek gesnoerd
En ook zijn poten afgehakt, dat vond-ie heel beroerd

Sindsdien sleept hij zijn buik door alle aardse gorenis
En van zijn spraak bleef niets dan slechts wat moedeloos gesis