Het vrije vers

Voor en door plezierdichters

Met Forum, Vorm én Vent



WAT JAMMER, sprak Veronica, ons landje wil niet deugen.
Ze zaten met z’n allen bij het grote plasmaskrien.
Al tien uur zit de Kamer hier te stikken in een leugen;
ik ga echt nooit meer stemmen hoor, ik heb het wel gezien.

Nou schaap, spraken de dames Groen, wij kunnen u vertellen,
het is voor ons genieten hoor, zo zie je nog eens wat.
Wij houden wel van slimme taal en leuke woordenspellen.
Beschaving? Nee u hebt gelijk: het beeld is wel wat plat.

Zo’n woordje als “herinnering”; “notitie van memorie”,
daar kunnen wij gezamenlijk weer uren mee vooruit.
Het gaat niet om de inhoud want hier telt slechts eer en glorie
We spelen ook vaak skrebbel en het gaat ons om de buit.

Jaa, skrebbel! Riep de dominee, wilt u het bord wel zoeken?
Daar is veel meer te halen dan een beetje dividend.
Wie deelt de letterblokjes uit? Ik pak de woordenboeken,
we spelen voor het nieuwe orgel; elke punt een cent.

Maar dominee! Waar zijn uw hoge normen en uw waarden?
Ons schaapje keek verbaasd op naar de oude predikant.
U hebt gelijk, zij hij bedeesd, ook ik kan soms ontaarden…
Ik kan mij ook wel vinden in een potje triviant.

Het scherm ging op stend-bij en er kwam sprits en koffie-hag,
het viertal ging toen over tot de orde van de dag.



ACH GUT, zeiden de dames Groen. Oom Karel is gestorven,
in vredige berusting en zijn eigen ledikant.
We vroegen ons al jaren af: wie heeft zijn klok georven?
Maar hij was nog niet dood. Nu wel, dat staat hier in de krant.

Welaan, zo sprak de dominee, dan gaan we hem begraven.
Ik zal een Woordje Spreken tot de schare rond het graf:
wie dorstig naar vertroosting zijn zal ik volgaarne laven.
Hij pakte zijn geklede jas en borstelde hem af.

Met zonnebrillen en in ’t zwart vertrokken ze naar Zwolle –
koud waren ze op weg of ze verdwaalden in de mist.
Op de begraafplaats zei het schaap: Nu even keihard hollen!
Zo kwamen ze nog net op tijd voor ’t zakken van de kist.

De dominee die elleboogde zich terstond naar voren.
Vaarwel, sprak hij geroerd. Gij waart een Kerel van Stavast!
Daar leken de aanwezigen nogal van op te horen,
vooral een paarsgejurkte heer die klaarstond met een kwast.

Opeens ontstond er trammelant: er was een krans verdwenen!
Toen werd het schaap Veronica op heterdaad betrapt
met lint waarop te lezen stond: Rust zacht, zuster Helene.
Oeps! zei ze. Maar ik had zó lang geen lelies meer gehapt…

Heleen? zeiden de dames Groen. Dat is niet onze oom.
Op naar oom Karel! En dan straks een plakje keek met room.



Mijn antwoord op de vraag gemist
Waarop Toon Hermans ons liet zweten
Toen hij compleet in zak en as
Zijn halve liedtekst niet meer wist?

Het mag gelukkig toeval heten
Maar ik kwam op een camping pas
Het fijne van de zaak te weten

Wat ruist er door het struikgewas?
Het is mijn eigen ochtendplas!=



Hoe vormen dichters actualiteit
zo ogenschijnlijk los op hun gemakje
in steeds een passend snelsonnetgebakje
dat keurig rijmend tot een pointe leidt?

Wat er op Pinksterdag werd uitgestort,
is wat bij dichters tot een versje wordt.




Als voorbereiding op de maatschappij
Gaan wij er uit en leren hop verbouwen
Voor Maallust, grondstof om het bier te brouwen
Kijk, daarvan wordt een bajesklant dus blij

En straks, na mijn ontslag ben ik de held
Het hennepzaad is reeds online besteld


Gedetineerden in de penitentiaire inrichting in het Drentse Veenhuizendie in de laatste fase van hun straf zitten, gaan hop telen voor de plaatselijke bierbrouwer Maallust. De provincie Drenthe geeft subsidie aan het hopveld.



we gingen dus naar Zandvoort bij de zee
en namen krijsend kroost, wat puzzelboeken,
je-weet-wel-waterflessen, badhanddoeken,
en zaligheid voor bij de koffie mee

en voor de rust twee doppen in mijn oren
waarna een zonnettette is geboren



Men wil in Grunn' helaas geen Driekdag vieren
Want: Pinksteren. Dat kost teveel publiek
Het argument: "ook hij was katholiek"
Daar kun je hier geen zaaltje mee versieren

De vierde Driekdag gaat nu digitaal
Wij maken op Het Vrije Vers kabaal



Verdulleme, hij werd alom geprezen
Toch is de Driekdag dit jaar afgelast
Van Wissens aanzien wordt zo aangetast!
Ik ben nu treurig thuis zijn werk aan ‘t lezen

Daarbij drink ik als troost een Vinho Verde
Verdraaid, ik hoor Drieks stem, hij moppert: merde!



Vol versjes met een boodschap en een lach
Van mij mag zo’n dag zeker Driekdag heten
Zolang we echter één vrouw niet vergeten
Op deze mooie tweede Pinksterdag

Want wist u ook dat Annie M.G. Schmidt
Op eenentwintig mei het leven liet?



Waar zou de sonnettettekeizer zijn
Misschien zit hij wel bij het Opperwezen
Zijn geestigste gedichten voor te lezen
Of fladdert vrolijk rond als serafijn

Hoe het ook zij, ik kan me niet vergissen
Hij Is! De onvolprezen Driek van Wissen



Je staat soms van dat bijgeloof te kijken:
“Het pinkstervuur laat mensen plotsklaps brallen
En in de vreemdste dialecten lallen”
En voor dit kulverhaal moet Driekdag wijken?

Wij wijken niet voor christelijk gezwam
En staan nog steeds voor Driek in vuur en vlam



Pinksterdag
Wie weet nog waar dat op duiden mag?
Naar de herkomst slaat men slechts een slag
Op deze mooie Pinksterdag

Uitstorting
Van de Geest die naar de mensheid ging
Na een halve eeuw ontkerstening
Weet niemand meer van uitstorting

Vraag een twintiger eens wat Pinksteren bepaalt
Die zal je vertellen dat Pinkpop nederdaalt

Pinksterdag
Waar bij onverhoopte weersomslag
Iedereen weer naar Ikea mag
Dus toch een mooie Pinksterdag

Hm, hm, hm, hm, hm, hm, hm, hm



Sinds mensenheugenis symboliseert
de fallus: vruchtbaarheid en levenskracht.
Baudets roman, die net is uitgebracht,
beschrijft een exemplaar dat inspireert.

Ik klink op Thierry's held en zijn baguette
als ik mijn broodmes in het stokbrood zet.


Deze week kwam de nieuwe roman van Thierry Baudet uit. Daarin looft de hoofdpersoon de baguette als fallisch symbool.



Bedgenoot
Sinds ik op die steiger naar haar floot
Met mijn bronzen bovenlijf ontbloot
Werd zij al snel mijn bedgenoot

Nageslacht
Dat was waar zij enkel maar aan dacht
Daarvan heb ik nu een stuk of acht
Een bedgenoot en nageslacht

Maar ondanks dat grut is mijn Ruth nog steeds een stoot
En mijn jongeheer salueert, o bedgenoot

Bedgenoot
Vrijend tot het vroege morgenrood
Over negen maanden weer een loot
Verslingerd aan mijn bedgenoot
Mm mm mm mm mm mm mm



aan ’t einde van een lange dag
laat moeder zon zich rustig doven
ze scheen zo gul en warm daarboven
’t is goed dat ze nu slapen mag

gelukkig laat ze ’s nachts de maan
als schemerlampje voor ons aan



Moederdag
Wat mijn vader in dat loeder zag
Met die rood gestifte poederlach
Mijn krop zit vol met Moederdag

Envelop
Zij zeurt nu al weken aan mijn kop
Wanneer kom je nou? Ik schrijf het op
De moederdagkaartenvelop

Dat gaat elk jaar zo 't is een show, niets aan de hand
Tot de eerste neut komt er heus geen trammelant

Moederdag
Zij houdt vol ondanks haar bloeduitslag
Dat zij chips en dat soort voeder mag
Mijn krop zit vol met Moederdag

Mm-mm mm-mm mm mm-mm



Moederdag
Dag waarop zij nu eens alles mag
Ook wat pa nooit door de vingers zag
Het is tenslotte Moederdag

Overspel
Alles mag nu en dat wil ze wel
Eén keer gewoon van rel del del
Het gaat wel over; overspel

Maar, zij voelt zich jong, maakt een sprong naar overstag
Maakt het heftig hot en tot slot zegt moeder: ‘dag’

Moederdag
Vader barst op slag van zelfbeklag
Weet: dit was de laatste Moederdag
Mam mam mam mam mam mam mam



Ja, ik beken het maar:
Trump volg ik dagelijks
(Verder slechts mensen
Met inhoud en stijl)

Door de lectuur van zijn
Vulgariteitenvloed
Houd ik doeltreffend
Mijn walging op peil



Waar blijft Zijn wederkomst?
Tweeduizend jaren al
Sinds deze sekte
Het wachten begon

Tsja. Door een fout in het
Inertiaalstelsel
Draait Hij al eeuwen
Een baan rond de zon

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Forum (recent...)

Uit het archief

De zwerver

Die man op die bank in het park
Ik kan hem maar moeilijk vergeten
Ik noemde hem heimelijk ‘hark’
Zijn naam heb ik nimmer geweten

Die man in het park op die bank
Zijn kleren vervuild en versleten
Door pech en door zucht naar de drank
Daar heb ik het steeds aan geweten

Dat park en die bank en die man
Zijn lot heeft me lang nog gespeten
Ik gaf hem wat geld, nu en dan
En suste ‘goeddoend’ mijn geweten

Koop koop koop