Het vrije vers

Voor en door plezierdichters

Met Forum, Vorm én Vent



Mijn tante is een ware drama queen
Het kleinste basakkoord doet haar al snikken
En zij hoeft maar een violist te zien
Dan staat ze al haar tranen weg te slikken

Dat grienen is nog niks bij haar geklaag
Nu hangt ze jammerend aan het loket:
In het concertprogramma van vandaag
Ontbreekt haar favoriete strijkkwartet

Haar man, mijn oom, staat kalmpjes aan haar zijde
Een bioloog, wat nuchterder van aard
Hier minder thuis dan in een bloemenweide
Klopt troostend op haar hand en zegt bedaard:

'Ach lief, precies zoals ik gister zei:
't Seizoen van de viooltjes is voorbij'



Ga je zinnen eens verzetten
Blijf niet liggen in je bed
Ga naar buiten spinnen pletten
En de stad met verf bespetten
Rook een Franse sigaret

Blijf niet in verveling steken
Want dat helpt je echt geen steek
Guitige kwajongensstreken
Kunnen elke sleur doorbreken
Meld je ziek de hele week

Blijf je niet ellendig voelen
Laat de boel gewoon de boel
Zoek goedkope vliegtuigstoelen
Of probeer eens car te poolen
Neem de vrachtboot naar Seoel

Doe wat of je niet kunt laten
’s Ochtends vroeg en ’s avonds laat
Eerdaags krijg je in de gaten
Dit is meer voor holle vaten
Ik wil rust en regelmaat



Hoog Sammy! Hoog Sammy!
Niet dat gemiezemuis
Zing! Richt je blik
Naar het hemelse blauw

Maak je niet druk om het
Baard-in-de-keel-probleem
Onze castratietang
Is er voor jou



De bakkerszaak draait eigenlijk te goed
Door ’t groeiende getal van consumenten
Dreigt er ten aanzien van ingrediënten
Met name een gebrek aan nieuw, vers bloed

Voorkom, nu het nog kan, de bakkersnood
En meldt u aan als donor voor een brood



Te deksel! Sprak de dominee, ze gaan er weer beginnen,
die homosensuelen. Hier, het staat zelfs in de krant!
Heel Amsterdam raakt deze dag weer roze, en buiten zinnen,
dat moet maar kunnen, vindt men, in dit onvolprezen land.

Maar dominee—Veronica gaat tevens naar de gaypraait,
al éénentwintig jaar! Aldus de kwieke dames Groen.
Ze is nu eenmaal 'n schaap dat graag met alle winden meewaait,
en éénmaal in het jaar wil toch eenelk zonder fatsoen...

Erachteraan! Kreet dominee, en rende al naar buiten,
dat arme schaap... hij epte onderweg de dames Groen:
waar vind ik nu Veronica, daar bij die bipsschavuiten?
—Probeer de spijkerbar, en geef dat schaap van ons een zoen.

Maar Amsterdam is groot. De dominee liep door de straten.
Ik zoek Veronica! Riep hij in een verschaald café.
Geen schaap—slechts devianten en halfnaakte onverlaten,
wat blote billen botsten op een fletse canapé.

De zaak ontvlucht toog dominee op schaapzoektocht ter Wallen.
Daar was de spijkerbar, aldus een diva op een boot.
De meute om hem heen begon te hossen en te lallen.
Maar wacht! Was dat Veronica, vomerend in de goot?

Hosanna! Riep de dominee, nu heb ik u gevonden!
Wat is er, bent u ziek? 't Was vast die oude bonensla.
Nee, hikte ze, ik sta hier slechts de feestdag af te ronden,
straks moet ik langs de Albert Heijn voor tri en blanke vla.

Het beest in mij is uitgelaten. Kijk—het gaat weeral.
Ziezo, zei 't schaap Veronica. Tijd voor een kir rwajal.



Mooi! Riep het schaap Veronica, nu gaat het echt gebeuren.
Dit reisje stond al heel wat jaartjes op mijn emmerlijst:
een kombie-reis naar Groningen, mét proeven van likeuren.
Ze kocht vier kortingkaartjes, heel voordelig afgeprijsd.

Toen belde ze de dames Groen om hen te inviteren.
Die waren reuzeblij met dit uitnodigend gebaar.
De dominee werd enthousiast en kwam in hoger sferen:
Agricola, Praedinius, ik heb mijn preek al klaar.

De trein trok op. De dames Groen, in reistenue gestoken,
verzorgden reeds de koffie met wat lekkers uit de mand.
De dominee sprak: jammer toch dat men hier niet mag roken.
Ach gut, zeiden de dames Groen, neemt u de ochtendkrant.

Ze lunchten op de Grote Markt bij de Martinitoren,
de binnenstad was prachtig en de broodjes smaakten top.
Graag nog een puntje, liet het schaap Veronica zich horen.
De dominee sprak: matigheid, u hebt er negen op.

De middag bood een taxirit en aangenaam vertoeven:
een wurksjop in het fraaie Hooghoudt’s distilleerpaleis.
De ketels waren mooi gepoetst. Veronica mocht proeven:
eerst dacht zij aan citroenschil, dan kaneel en steranijs.

Ze nipte van de Fladderak en kreeg een flesje mee.
De reis terug was zweverig: de trein voer over zee.



MIRAKELS! riep de dominee. Zojuist keek ik naar boven:
de perenboom hangt vol met fruit, dat wordt een rijke oogst!
Aha, zeiden de dames Groen, die peren gaan wij stoven.
Wat zijn ze dik! En kijk, de allerdikste hangt het hoogst.
 
Kom op, we gaan ze plukken voor ze op de grond belanden.
Zeg juffrouw schaap Veronica, loopt u es naar de schuur...
Daar moet een grote trapleer staan, en ook een stapel manden.
De dominee klom in de boom en keek over de muur.
 
Verroest! sprak hij. Het allersappigst ooft is reeds gevallen:
dat ligt aan gene zijde, op ’t gazon van buurman Jan.
Komt, laat ons onverwijld dat valfruit rapen met z’n allen,
die peren kunnen dadelijk als eersten in de pan.
 
Hij liet zich langs de takken zachtjes in de buurtuin zakken –
Toen hoorden ze: Wat moet dat daar? Hup, wegwezen, en gauw!
Ik laat Diablo los, die komt je bij je lurven pakken!
Ocharm, zeiden de dames Groen, Diablo lust hem rauw.
 
Die vloer ik! riep Veronica. Ze ging verwoed aan ’t plukken,
de bloedhond kreeg een perenspervuur naar z’n valse kop.
Het monster plofte om en buurman Jan vergat te bukken...
De dominee ontsnapte en sprak dankbaar: Dat lucht op.
 
Weg oogst, zeiden de dames Groen. De stoofpan blijft dus leeg.
Maar kijk, er zijn nog vruchtenkoekjes, van ons eigen deeg.
 



Zijn krib stond op een godvergeten plek
zijn ouders waren arm tot in het merg
het land bewerken was nog minder erg
dan altijd net niet doodgaan door gebrek

verlangen werd er in de kiem gesmoord
de toekomst was het hier en nu gelijk
en ook al gaf hij van ambities blijk
van passies volgen had men nooit gehoord

toen kenterde het tij en kwam zijn kans
de leerplicht riep hem weg van veld en stee
en dapper is hij toen op weg gegaan

in Rusland van die tijd, zo zien wij thans,
was integratie nog een vaag idee:
hij blijft voor eeuwig op de drempel staan.

Bij een schilderij van Nikolay Bogdanov-Belsky, 1897



Ik heb zo’n moeite met die lettertjes

Ze dansen door mijn schrift
En zijn totaal geschift
Ik haat de kleine ettertjes

Spellingleed

Die rare letter e verbijstert me
Ik hoor een ö in ‘de’ … een eh in ‘leg’
Maar als ik dan weer ‘mede’ schrijf en zeg
Dan klinkt er eerst een ee en dan een ö

En plak ik achter onze e een u
Dan maakt dat kunstje haar pardoes tot eu
Een i vooraf maakt e tot ie, mon dieu
Met i erna tot ei: u snapt het nu?

Twee letters e aaneen lees je als ee
Een o vooraf maakt van de e een oe
Bent u intussen aan een dokter toe
Dan denkt u bij de e’s-accent: O wee!

Wie lezen leert en schrijven met zo’n spelling
Is vast immuun voor elke schoolse kwelling



Wat een teleurstelling
Weekendje Groningen
Enkel de spekdikken
Kregen we op

Verder serveerde men
Eetlustversjterende
Huiskost als mosterdstip
Bloedbrood: een flop!



De kans om een jong mens te laten zakken
Hier in dit land van vijf honderdste punt
Waar je elkaar geen millimeter gunt:
Als mierenneuker dien je die te pakken

Geloof in recht om je aan vast te klampen
Kun je niet vroeg genoeg de grond instampen.


(De rechter oordeelt dat een leerlinge, ondanks een aantoonbare fout in

het eindexamen Frans, toch op 5/100 punt gezakt is en niet naar een vervolgopleiding kan.)



Kijk toch die benen eens!
En die paillettenjurk!
Extravagant hoe
Zo’n juf is gekleed 

Zelf ben ik gek op zo’n
Over-de-top-outfit
Liefst steek ik ook nog
Een pluim in hun reet



Gekookte melk met zout en boekweitgrutten
Het loie wief
Staat zachtjes op een oliestel te prutten
Het loie wief
Een kuil vol botersaus en stroop
Haalt straks de darmen uit de knoop
Je zit bij Nieuwsuur reeds te dutten
Het loie wief

Zij schakelt naar een real-life soap
Het loie wief



Vooruit met flinke pas, niet van dat bange
Waar wij naartoe gaan, vind je de fine fleur
Grands crus nog mooier dan je diepst verlangen
Wij zullen eens wat fraaie flesjes vangen
De eigenaar is echt een connoisseur

Zo langzaamaan krijg ik een pesthumeur
We dwalen nu al uren door die gangen
Ik haat de catacomben, quelle horreur
De duisternis, die vreselijke geur
Blijft vast nog weken in je kleren hangen

Weet jij de weg terug door die spelonken?
Ik heb de halve buit al opgedronken...



Iets beter nog dan goed blijft altijd beter
maar beter nog dan beter is het best
bijvoorbeeld als je sneller dan de rest
een afstand overbrugt van honderd meter

Helaas, wanneer ik meedoe om te winnen
schiet ik fysiek en geestelijk tekort
men speelt mij van het veld en van het bord
ik kom pas na de prijsuitreiking binnen

Sportief lukt het mij hoogstens naam te maken
als veel te trage loper bij het schaken




Aanschouw de dichter in zijn klamme bed
hij tikt het metrum even voor zich uit
en dan ontsnapt hem weer een zacht gefluit
als alles samenvalt in een sonnet.

De meest verheven beelden heeft hij net
met verve en met diepgang, naar verluidt
met pit en met wat peper aangekruid
zorgvuldig en met zorg op rijm gezet.

Doch plots voelt hij de kou tot op zijn bot
dit gaat niet goed, straks ligt hij hier verstijfd
en is het met de dichtersgeest gedaan

En vol van spijt roept hij O, goeie God!
alweer geen Hoge Kunst die hier beklijft:
dan maakt hij met zijn werk de kachel aan.



Ik leg mijn vinger op zijn dik
Behaarde bovenlip en schrik
Hoezeer we lijken op elkaar
Alsof ik in een spiegel staar

Ik monster ogen, voorhoofd, haar
Vertrouwd en toch een beetje raar
Zijn in zichzelf gekeerde blik
Die man, mijn opa, dat ben ik

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Forum (recent...)

Uit het archief

Moe gefietst (Luchtfiets)



Drie dichteresjes ploegen dag en knok:
ze loden pot en ballen samen boeken.
Met fiere focus loeren ze op koeke
en oefenen het roepen van de lok.

Dan klokt van ver de avond die hen wacht -
hij landt hun dromen, kust de meisjes nacht.

Koop koop koop