Het vrije vers

Voor en door plezierdichters

Omdat light verse lééft

Joost Zwagerman die zette stuurs de toon
De druiven waren blijkbaar heel erg zuur
Je zag hem zeer vertoornd de vuistjes ballen 

Ook Zeeman zette zich toen in postuur
'Een drinkebroer', zo hoorde men hem lallen
'Heeft niet het recht op deze lauwerkrans!' 

Ze werden door hun maatjes bijgevallen
Ook Pfeijffer raakte hevig uit balans
Die wou zelfs Driek te lijf gaan in persoon 

'Dit is bedrog!' riep ieder aangedaan
'Hij is geen keizer: hij heeft kleren aan!'


Over armoede aan poëzie bij toonzetters.

Ook dit gedicht komt uit de bundel Het pak van Sjaalman. Hij zal het helaas niet meer lezen.

Het was bij hem niet nodig om te gissen
Naar wat hij had bedoeld met een gedicht,
Je vroeg je ook niet af wat hij wellicht
Verstopt had achter woordbetekenissen.

Een metrum, rijm, voor velen hindernissen,
Zag hij juist als een doel, een soort van plicht.
Met vaste vorm hield hij zijn verzen licht
En wist zo onze blik vaak te verfrissen.

De dood, waar iedereen een keer voor zwicht,
Die over onze levens kan beslissen,
Heeft plotseling zijn blik op hem gericht.

Helaas, we zullen hem nu moeten missen
En ook die strik en zijn bebaard gezicht
Maar niet de poëzie van Driek van Wissen.


Driek kijkt meewarig naar al die devotie:
Dichter bij God is een leuke promotie!
Als de liefde voor taal in je bloed zit
En je liefde voor taal is zó groot
Dan is zo’n acute beroerte
Een meer dan natuurlijke dood

Ik was haar schat, zij was mijn bruid,
De toekomst zag er romig uit.
Maar toen ik voor het altaar stond
Was ik alleen: zij dween, zij zwond.

Eens vormden wij een trouw gespan,
Ik was haar vrouw en zij mijn man,
Maar niets is nog zoals voorheen
Want driewerf ach! Zij zwond, zij dween

Zij was mijn afgod, mijn idool
- Hoewel een ietsje te frivool -
Ik smacht naar haar zo menig stond,
Maar 't is voorbij: zij dween, zij zwond.

Hij wiens verloofde dwijnt of zwindt
Ofschoon hij haar verwoed bemint,
Kwijnt weg in troosteloos geween
En huilt gefnuikt: zij zwond, zij dween!

Mijn eerste vrouw vree met de halve stad
De tweede was verslaafd aan Belgisch bier
De derde had in elke hand een gat
Zo is er met de liefde altijd wat:
Ik vraag me af, wat brengt me nummer vier
Praktijkles 

Wat was ze mooi, de Franse lerares!
En dan nog dat vertederend accent!
Zij had veel op het mijne aan te merken 

Van vrouwen ben ik geen kritiek gewend
Maar wilde best mijn uitspraak wat versterken
Terwijl mijn libido daarbij niet sliep 

We gaan eerst, zei ze, aan de klinkers werken
Klonk goed! Dus zei ik: 'Çe n'est pas une pipe!'
En gaf haar een aanschouwelijke les 

Haar lippen vormden duidelijk een eau
Het werd een klinkende fellatio!  

Over de klinkletters.


(uit de bundel Het pak van Sjaalman)
Heremijntijd! 

Er is iets raars aan de oneindigheid:
Oneindig gaat maar altijd, altijd door
En nooit en nooit zal er een eind aan komen 

Een trein die steeds maar doorrijdt op zijn spoor
En zonder eindstation maar door blijft stomen
Maar toch: ooit stapte er een stoker in 

Oneindigheid kan enkel voorwaarts stromen
Het vreemde is: het heeft wél een begin
Dat is toch met oneindigheid in strijd? 

'Hier klopt iets niet: wat doe Ik hier toch fout?'
Is iets wat God al eeuwig bezighoudt  

Over het verschil tussen de begrippen:  O n e i n d i g e 
t y d  en:  E e u w i g h e i d .

(uit de bundel Het pak van Sjaalman)



Nou is de ark van Noach wéér ontdekt!
Een jaarlijks ritueel rond deze tijd
Er moet een vlóót geweest zijn van die dingen

Om wat de échte is woedt hevig strijd
- Niet ongewoon in christelijke kringen –
En half Amerika gelóóft die kul!

In elke staat hoor je er gospels zingen
Het fundamentalistisch onbenul
Heeft zijn tentakels gretig uitgestrekt

Een zondvloed zal dat land niet gauw bedekken
Er heerst daar al een overvloed aan gekken


Voor wie het gemist heeft: op youtube staan ook mooie filmpjes, voor het eerst van de binnenkant van de ark! Let ook eens op de stenen, rechtsboven dit expeditielid, die - een wonder!- de zwaartekracht trotseren.

Vandaag komt er een regenboog omlaag
en loopt een berg van Bombay naar Den Haag;
een dinosaurus zal een godheid baren..
Of morgen – maar ik denk toch echt vandaag.

Hij is nog jong en boekt nog steeds progressie
Maar o wat is hij al geweldig goed.
De bal kleeft als een speeltje aan zijn voet,
Het kleine Argentijnse wonder Messi.

Zijn spel zit vol met dreiging en met pressie
Omdat hij steeds iets onnavolgbaars doet
En acties tovert uit de hoge hoed:
Voor tegenstanders is hij een obsessie.

Het voetbal heeft hij tot een kunst verheven.
Naar hem te kijken dat is puur genot
Waardoor je rilt en bijna lijkt te zweven.

Zijn dribbels, voetbewegingen, zijn schot:
Hij laat het spel van Johan Cruijff herleven,
Hij is de hedendaagse voetbalgod!

Zijn tegenstander was de stoere geus
zo vaak geroemd in Hollandse kronieken,
hijzelf was meer een held voor katholieken
met oorlogsschip De Windhond: Corneel Weus.

Hij had als Spaansgezinde weinig keus,
bestreed vol vuur de nieuwe republiek en
haar zeevaarders met haken en met pieken
en deed dat alles uiterst religieus.

Maar bovendien was hij de vader van
de vrouw die trouwde met ‘de vos der zeeën’,
‘El Zorro de los Mares’, Spaanse held.

En of dat voortkwam uit een groter plan
of erger nog: uit grotere ideeën
wordt godzijdank historisch niet vermeld.

Hij heette Tjores en hij had een baard,
hij was met zwaard en enterhaak bedreven.
Wie hem ontwaarde wendde vast de steven,
vaak tevergeefs, dan werd geen man gespaard.

Maar nooit heeft hij eenzelfde roem vergaard
als Jan, Piet en Corneel, dus ongeschreven
blijft heel de rest van Tjores’ ruige leven;
wie Tjores was bleef voor ons niet bewaard.

En waar hij dan ook rust, hij rust in vree.
Ze waren ferme jongens, stoere knapen
met een alom gerespecteerd beroep.

Dankzij hun spirit telden wij nog mee.
Thans heeft al wie een baard draagt en wil kapen
terstond het halve leger op z’n stoep.

Dekzwabber is hij op een haringbuis.
Het zeegat uit, op zeven zeeën varen,
(er waren nog geen leerplichtambtenaren
of gelijksoortig officieel gespuis).
 
Geleid door Poolster, God en Zuiderkruis
kiest hij het ruime sop, de woeste baren:
wat Spaanse matten voor het land vergaren
en rijk beladen met de boot naar huis.
 
Zijn leven lang blijft hij de Staten trouw,
maar zal dat nog verschrikkelijk bezuren
in strijd met een Oostender kapervloot.
 
Hij stuurt verkeerd en brengt zichzelf in ’t nauw.
De admiraal belandt tussen twee vuren,
hetgeen tenslotte uitmondt in zijn dood.
 

Hij meldde zich als maatje op een schip
en vocht al vroeg voor Engelsen en Fransen.
Dit lenig joch berekende zijn kansen,
klom onder Bestevaêr tot luit met stip.

Zijn kaperbrief was toen een rechtsbegrip,
het voeten spoelen min of meer usance;
hij liet een Hollands schipper tobbedansen
en bij terugkoop leegde men diens knip

De Texelslag, zijn grootste wapenfeit
bracht brood bij Franse hongerige monden.
Men sloeg hem ridder – zeemachtcommandant.

Voor Duinkerk een markering in de tijd.
Hij werd nog vele malen uitgezonden.
Een longontsteking zette hem aan land.

 


 

Vrouwen vallen niet voor dichters
Want die zijn hen te verbaal
En die blijken vaak ontwrichters
Van de klare liefdestaal

Mannelijke dichters jokken
Met poëtisch gejongleer
Om de meiden te verlokken
Tot banaal geslachtsverkeer

Geef mij dan maar dichteressen
Want die zijn bijna sacraal
Zoals tempelpriesteressen
En misbruiken nooit de taal

Om hun driften te vermommen
Of hun geilheid kond te doen
Middels vals verheven trommen;
Neen, zij houden hun fatsoen

Zulke dichteressen min ik
Meer dan welke dichter ook –
Lezer,  stop nou dat gegrinnik,
Of ik raak nog van de kook! -

Jammer, maar met zulke liefde
Stond ik meermaals in de kou,
Wat mij uitermate griefde,
Maar ik ben dan ook een vrouw.

 

Soms kom ik hele hordes letters tegen
die zich naar alle kanten toe bewegen.
Ik maan ze dan één richting uit te gaan;
het liefst tot een gedicht aaneengeregen

Juich als vrij zijn slechts voor jou betekent
Dat je weer eens niet naar school toe hoeft
Vrijheid is alleen maar vanzelfsprekend
Als je nooit iets anders hebt geproefd

Het is weer tijd voor schaamteloos ontluiken.
Het is weer volop lente. Het is mei.
Het groeit en bloeit in bomen en in struiken.
Het zaaigoed schiet te voorschijn uit de klei.

Het dartelt in de stal en in de wei
van veulen, big en lam, van kalf en kuiken.
Al wat niet levend baart legt dril en ei.
De meisjes tonen winterwitte buiken.

Straks veeg ik het gevallen blad weer op.
Het loof dat in oktober naar benee moet
is nu nog jong en groen en voedt mijn weemoed.
Ik ween om elke uitgebroken knop.

Van mij mag alles best een heel stuk korter:
de maand, de rokjes, het gedicht van Gorter.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Forum (recent...)

Uit het archief

Meereiskaart



Ooit werd je nog pretentieloos als zuigeling gebaard
welwillend door je broertjes en je zusjes aangestaard
waarmee je automatisch als gezinslid was aanvaard
en had je voor het leven, dus zo lang je nog verjaart
een meereiskaart

Nu word je prenataal al tot een wonderkind verklaard
dat straks op elk gewenst gebied de beste evenaart
en ben je in je eentje toch maar mooi begerenswaard
met bovendien als levenslange bonus uiteraard
een meer-eiskaart

Koop koop koop