Het vrije vers

Voor en door plezierdichters

Met Forum, Vorm én Vent

Gisteren vond zijn uitvaart plaats..



Gij zult gehoorzaam zijn
Hemels bestuursmodel
Dat men uit lijfsbehoud
Zelden bestreed

Want in gevallen van
Onbereidwilligheid
Lag er een stapeltje
Brandhout gereed



ik kocht je steeds het allerbeste voer
al heb je dat bij leven nooit geweten
je schroomde niet om keutels op te eten
en peuzelde de kruimels van de vloer

ik kreeg je toen je één was van een boer
je had een keer naar kinderen gebeten
sindsdien lag je te kwijnen aan een keten
je dagen sleet je wakend op de cour

zo anders werd het toen ik jou in huis nam
ineens had ik gezelschap voor een praatje
je leerde mij de notie hondse trouw

je kwispelde zodra ik 's avonds thuiskwam
je was een lief en uitgelaten maatje
en blafte ook veel minder dan mijn vrouw



'Wat zie ik nou, Trudy!
Schandelijk piemelblad!
Schiet ik tekort soms!
Waarom kleur je rood?'

'Gerard toch, zie eens de
Acceleratiekloof
Tussen dit speedbeest
En jouw Slakje Dood!'



“Wat zie ik nou Gerard !
Pornogerampestamp?
Heb je niet meer dan genoeg
aan je vrouw?”

“Tja schat, dit komt door het
frivoliteitsverschil
tussen die lekkere dames
en jou.”



Laatst moest ik een geboortekaartje sturen
Maar Jezus, wat een lelijk exemplaar
Ik kon er echt niets aardigs over schrijven
'Ze krijgt het vast nooit koud met al dat haar!' 

'Met zoveel vet zal ze wel blijven drijven!' '
'Ik wist niet dat dat kon, zo'n wervelboog!'
Ik weet dat ik daar verre van moet blijven
Want wie een kind ziet met een helder oog
Weet dat een vriendschap niet lang meer zal duren

Dus werd het: 'Meid, het leven is een feest!' 
Ik heb het beeld al helder voor de geest



De strijd tegen het roken wordt verhard
Men maakt een eind aan onbekommerd zuipen
En waarschuwt wie verliefd in bed wil kruipen:
Voorkom venerisch leed en slaap apart

Zo blijkt dat van geneugten van mijn jeugd
Er achteraf niet eentje heeft gedeugd



 ‘Klein, maar geen broekeman!’
‘Slapen je benen nog?'
‘Jij bent niet snel
Op je teentjes getrapt’

Altijd weer lachen, zo’n
Onderdegordelgrap
‘Hé, ben je soms
in het zoutzuur gestapt?’



Ik wilde je graag vangen in een lied

Dat lukte voor geen meter
Je bleef ongrijpbaar tot mijn groot verdriet
Ik wilde je graag vangen in een lied
Een zachte landing bood dat echter niet
Een luchtkussen of net was denk ik beter
Ik wilde je graag vangen in een lied
Dat lukte voor geen meter



Als het me lukt dan ga ik uit mijn dak
Dan schenk ik mij een goede borrel in
Een fraai sonnet dat geeft het leven zin
Maar nu zijn mijn probeersels nog te zwak

Ik zit maar naar het lege vel te staren:
vanavond wordt het weer een halve klare



Linguïsten hebben zich het hoofd gebroken
Over de vraag hoe oertaal is ontstaan
Door vergelijking van het spraakorgaan
Bij mens en mensaap heeft men licht onstoken:

De eerste mensen zeiden “burp” en “grump”
Nee “grumpf” en “grunt” – nou ja, het lijkt op “trump”

 
Groot, die kersenboom, en dik.
Wie erin klom? Ja hoor, ik!
Mijn armen stevig om de stam,
ik keek zo ver als ik nooit kwam.

Ik zag de buurtuin van heel hoog,
een bloemenpracht kreeg ik in ’t oog.
En nog meer moois kwam voor de dag
dat ik niet kende of ooit zag.

Ik zag de lucht weerspiegeld in
rivierenblauwe kronkeling;
het stoffig stuiven, heen en weer,
van wegen met hun druk verkeer.

Als ik een hogere klimboom vond
zag ik nog verder in het rond,
tot daar waar de rivier volgroeid
in heel de zee vol schepen vloeit.

Tot waar de weg aan elke kant
nog doorloopt tot in sprookjesland,
waar elk op tijd aan tafel gaat
en al je speelgoed met je praat.
 
 

Foreign Lands

Up into the cherry tree
Who should climb but little me?
I held the trunk with both my hands
And looked abroad on foreign lands.

I saw the next-door garden lie,

Adorned with flowers, before my eye,
And many pleasant places more
That I had never seen before.

I saw the dimpling river pass

And be the sky’s blue looking-glass;
The dusty roads go up and down
With people tramping in to town.

If I could find a higher tree

Farther and farther I should see,
To where the grown-up river slips
Into the sea among the ships,

To where the roads on either hand

Lead onward into fairy land,
Where all the children dine at five,
And all the playthings come alive.
 
Robert Louis Stevenson (1850-1894)
 
 



Ik heb hem maar een keer of twee gesproken
En ging het liefste snel aan hem voorbij
Toch vond ik het nooit hinderlijk dat hij
Voortdurend langs de weg kwam opgedoken

Nu is hem dus het zwijgen opgelegd
De praatpaal heeft zijn laatste woord gezegd



Eventjes wegdromen
Bob, Bep en Brammetje
Werden gered
En ze dankten de Heer

Leerzame kost was zo’n
Vijftigerjarenboek
Heel opvoedkundig
En recht in de leer



een tekening met stevige contouren
de vader kijkt, denkt er het zijne van,
beraamt voor hem een oorbaar toekomstplan
zijn zoon zal in de zaak nog goed gaan boeren

een dier, de zon, een grote kop met poten
met krijt en wasco rotzooit hij wat an
de appel van zijn oog kleurt onverdroten



Het leven is van tijdelijke aard
Een tegenligger kun je op je route
Per ongeluk en zeer frontaal ontmoeten
Omdat hij even op zijn i-phone staart

Soms gaat het met wat meer geweld gepaard
Verhardt cement zich langzaam om je voeten
En laat men je vervolgens vissen groeten
Terwijl de wereld boven verder vaart

Je wilt in het begin geen tijd verliezen
En werkt meteen vol enthousiasme aan
Een uitweg na het breken van de vliezen

Maar merkt dan verderop in het bestaan
Dat er tot slot niet veel meer is te kiezen:
In aankomst schuilt de zekerheid van gaan



ik wandelde vanmorgen op het zandpad
en volgde zo de bochtige rivier
die stroomt langs het vakantiepark alhier
ik groette een mevrouw die aan de kant zat

onthaastende gezinnen uit de Randstad
verpoosden achter haagjes van laurier
ik zag een stel dat, staand op het plankier,
vrij uitzicht op het frisse boerenland had

in bungalows werd slaperig ontbeten
een heerschap liep in badjas bij de beek
men had qua mise-en-scène niets te klagen

ik was als figurant weer snel vergeten
toch wist ik mij de bofkont van de streek:
ik woonde in dit uitzicht, alle dagen



Babyolie werkt te traag
Want hij kruipt nog niet gesmeerd
Dus we hebben het vandaag
Met kruipolie geprobeerd



Kent u Hans Spekman nog?
Juist ja, die voorzitter
Gaandeweg raakte
Zijn aanpak wat sleets

Grootste succes kwam op
Lelijketruiendag:
Onbedreigd winnaar
Voor aartsrivaal Smeets

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Forum (recent...)

Uit het archief

Uit de nalatenschap van Herman J. Claeys: Agnosie

Ik weet niet wat ik weten moet
Of wat er wél en niet toe doet
Van wat men mij ooit onderwees
Van al wat ik nu zie en lees
En al wat overal geschiedt:
Ik weet het niet!

Ik weet niet wat ik weten moet,
Wat slecht en fout is en wat goed
En wat er door de beugel kan
Van wat ik doe of wat ik plan,
Of waar 'k mij toe verleiden liet:
Ik weet het niet!

Ik weet niet wat ik weten moet
En of mijn wetenschap voldoet
Om in te zijn en up to date,
Om niet als een analfabeet
Voor schut te staan op elk gebied:
Ik weet het niet!

Ik weet niet wat ik weten moet
En wat ik niet vergeten moet,
Wat gistren juist was is nu slecht
En wat eens waar was wordt weerlegd,
Mijn hersenpan is een vergiet:
Ik weet het niet!

Koop koop koop