Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft

kasplantje
 
Je ziet in het verpleeghuis vaak verdriet
Toch is er ook een glimlach om de mond
Wanneer ik even langskom met de hond
Het zijn vaak dieren waar men van geniet
 
Men aait en knuffelt hem of geeft een brokje
En is voor even zonder pijnlijk weten
Van alles wat ze liever niet vergeten.
De hete thee wordt lauw, men drinkt geen slokje
 
Ik zeg, er wacht nóg iemand hier op mij
Dag dames, heren, ik kom heel gauw weer
Mijn moeder, staan haar planten in een meer?
Ze wenkt wanhopig op de galerij
 
Geef mij je gieter maar, me lieve gunst
Die planten mam, zijn nep, ’t is plastic kunst!
 

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Mijn ceder (Utrechts sonnet 5)



Met dank aan Han G. Hoekstra 


Ik heb een ceder in mijn tuin geplant
En hem flink coniferenmest gegeven
Geen zuchtje wind bespeur ik op het land
Toch zie ik naalden heel unheimisch beven

Geen zuchtje wind bespeur ik op het land
In bomen planten ben ik zeer bedreven
Wat is hij blauw, is hij misschien van stand?
De soort staat als verdraagzaam aangeschreven

Wat is hij blauw, is hij misschien van stand?
Voelt hij zich voor mijn tuin te zeer verheven?
Geen zuchtje wind bespeur ik op het land
Toch zie ik naalden heel unheimisch beven

Ik zeg het hier maar helemaal vrijuit:
Naar mijn idee belazert hij de kluit –