Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft

Toen zij ontsnapte aan ooms spruitjeslucht
Het rooms gekwezel en het vroom fatsoen
Werd haar gefnuikte geest bevrijd door Moenen
 
Het bleef niet bij een aarzelende zoen
Zij liet zich met plezier door hem ontgroenen
Haar leven werd een vreugdevolle roes
 
Maar door een wagenspel met vrome oenen
Sloeg zij toen voor het Waaggebouw tot moes
Zij kon niet mee in Satans hoge vlucht
 
Dus zondigt u, heb niet te snel berouw:
Zij was pas na haar spijt gevallen vrouw
 
(Uit: 2000 jaren Nijmegenaren, Intermedi-Art, Nijmegen 2005)

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

De Lorelei



Wat voel ik me triest dezer dagen,
ik weet niet wat dat beduidt…
Een oeroude Rijnlandse sage
die wil mijn hoofd maar niet uit:

De lucht is koel en het donkert
en rustig stroomt de Rijn,
de top van ’t gebergte flonkert
in late zonneschijn.

Die zonnestralen strelen
een wonderjonkvrouw daar;
goud blinken haar juwelen,
ze kamt haar gouden haar.

En bij het kammen zingt ze
een wonderschoon refrein –
zo machtig en prachtig klinkt ze
als ooit Heer Halewijn.

Een schipper, door hartzeer bevangen,
verliest zo zijn koers uit het oog:
het lied wekt een razend verlangen,
zijn blik gaat voortdurend omhoog.

En dan loopt zijn schip op de klippen,
geloof ik, dan is het voorbij;
een glimlachje speelt om de lippen
van Jonkvrouw Lorelei.

vrij naar Heinrich Heine (1797-1856):

Die Loreley

Ich weiß nicht, was soll es bedeuten,
dass ich so traurig bin;
ein Märchen aus uralten Zeiten,
das kommt mir nicht aus dem Sinn.

Die Luft ist kühl und es dunkelt,
und ruhig fließt der Rhein;
der Gipfel des Berges funkelt
im Abendsonnenschein.

Die schönste Jungfrau sitzet
dort oben wunderbar;
ihr gold’nes Geschmeide blitzet,
sie kämmt ihr goldenes Haar.

Sie kämmt es mit goldenem Kamme
und singt ein Lied dabei;
das hat eine wundersame,
gewaltige Melodei.

Den Schiffer im kleinen Schiffe
ergreift es mit wildem Weh;
er schaut nicht die Felsenriffe,
er schaut nur hinauf in die Höh’.

Ich glaube, die Wellen verschlingen
am Ende Schiffer und Kahn;
und das hat mit ihrem Singen
die Loreley getan.
 

Bundels