Het vrije vers

Voor en door plezierdichters

Met Forum, Vorm én Vent




Hoe fliederefladdert
     op zoek naar zichzelve
het eenzame zielke
     door 's Heemels gewelve.

Wat fladdert ge zielke,
     met vlijtige vlerk
en spiedt ge rondomme
     in het zalige Zwerk?

"Ik zoek", sprak het zielke,
     "in licht en in schaûw
Blavatsky en Krishna
     alnevens god Lou.

'k En zocht in mijn leven
     den heiligen graal
doch vind het Hiernamaals
     maar eendlijk en kaal.

'k En zie hier geen Cayce,
     geene elementalen;
laat staan megalitische
     Kelt'se spiralen.

'k En was van heer Gurdjieff
     en Hahnemann vol,
van Tikulti-Ninurti
     en de Bardo Thodol.

'k En dweepte met Rhâdârâm
     Sita Lakhsmi,
de Maitreya, Sai Baba
     en de theosofie.

'k En deed aan I Tjing
     de Tarot, las de Veda.
Als sjamaan smookte ik gers;
     ja, ik wérd Castaneda!

'k En las geeren Sheldrake
     en was fier epigoon
van Hubbard, Adamski;
     ja, zelfs van Piet Vroon.

Maar nu? Zelfs geen Helle
     geen Eeuwige Brand.
'k En heb hier geene moer
     aan Emile Ratelband.

Geen chakra's, geen Alfa
     geen Zen en geen prana:
't En lijkt hier verdomme
     wel net het Nirwana!" "

"Ach zielke", zoo sprak ik
     vol deernisse, "och arme
ge kunt u nochtans toch
     aan ééne troost warmen.

Het maakt alles niet uit,
     dus wat kan het u deeren:
ge zult immers varings
     weêr reïncarneren?"

eendlijk= saai
gers= gras
varings= spoedig

Het is de maand van de spiritualiteit en gisteren was de sterfdag van Guido Gezelle, dus we slaan maar eens twee vliegen in één klap.





Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Forum (recent...)

Uit het archief

Speciaal voor de Gedichtenweek



De Nimmermerel


Mistroostig valt de avond
en sip verschijnt de maan;
ze moet nog veertien nachten
maar vindt er niks meer aan.

Een ijverige dichter
doolt peinzend door het park.
Soms struikelt hij over een schaduw,
soms trapt hij in een hark.

Soms staat hij stil en luistert
en proeft de atmosfeer…
Dan klinkt in ’t schemerduister
een droef gekwinkeleer.

Wie zingt daar in die pijnboom,
onwerelds mooi en triest?
De dichter pakt zijn zakdoek,
hij hikt, hij snikt, hij niest.

Wat ruist daar langs de takken,
wat druipt er in zijn nek?
Bijziend kijkt hij naar boven,
ziet slechts een vage vlek.

‘O maan! Jij doet me denken
aan mijn vriendin Aleid:
dat grillige, dat fletse,
die ongenaakbaarheid.

Ik stuurde haar sonnetten,
zij reageerde stug.
Zal ooit haar hart ontdooien,
zie ik haar ooit terug?’

Iets dwarrelt naar beneden,
het is een zwarte veer.
Iets ritselt in de boomtop
en fluistert: ‘Nimmermeer.’

Koop koop koop