Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft



De Hunnen stonden weer eens voor de wallen
Wij stelden ons dus als vanouds teweer 
Je zag ze vuil en smerig samenballen 
Ze gingen ruw en onbeschaafd tekeer
We keken op de Hunnenhuigen neer 
Het was een onophoudelijk getier 
Met veel gespot en duidelijk gesneer 
Maar goed - zij waren daar; wij waren hier


De poort was dicht, het valwerk was gevallen
Het wachtwoord (‘Dikke lul’) niet geldig meer
En al die ongewassen duizendtallen
Geleid door een zeer ongelikte beer
Die stonden daar dus op hun veld van eer
Massaal voor aap, het deed ons eerst geen zier
Al zwaaiden ze ook brullend met hun speer
Want ach – zij waren daar; wij waren hier


Toch werd het onplezierig voor ons allen
De voedselvoorraad leed aan wanbeheer
We aten eerst de paarden in de stallen
En deelden toen de laatste rotte peer
De conversatie werd bedrukt gelamenteer
De dorst verlamde onze speekselklier
Geen hulp in zicht, per trein of met het veer
Want tja – zij waren daar; wij waren hier

O lezer! Dat ik weer communiceer
Met in mijn hand het Vrije Versbanier 
Bewijst wel onze moed in deze sfeer 
De Hun trok af naar dáár, wij zijn nog hier!

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Uit de Oude Doos



Kom, reken eens mee als men vroeger ooit deed:
Twaalf buikrommelingen, zijn samen één scheet
Twaalf scheten niet laten daar zit men van vol
Die leveren later één keurige drol
Twaalf drollen is smerig, dus ruim ze snel op
Ze passen met twaalven precies op één schop
Het volgende zeg ik ook niet voor de lol
Twaalf schoppen is juist weer één strontemmer vol
Twaalf emmers met stront van een wijze of nar
De passen dan juist weer precies op één kar
En karren met stront, hetzij klein, hetzij groot
Daarvan gaan er twaalf ongeveer in een boot
Twaalf boten met stront zeg ik heel principieel
Daarmee vult men juist een gemiddeld karveel

Dus, hebt u goed opgelet, weet u voortaan
Hoe veel rommelingen aan boord zijn gegaan


Bundels