Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft



De Hunnen stonden weer eens voor de wallen
Wij stelden ons dus als vanouds teweer 
Je zag ze vuil en smerig samenballen 
Ze gingen ruw en onbeschaafd tekeer
We keken op de Hunnenhuigen neer 
Het was een onophoudelijk getier 
Met veel gespot en duidelijk gesneer 
Maar goed - zij waren daar; wij waren hier


De poort was dicht, het valwerk was gevallen
Het wachtwoord (‘Dikke lul’) niet geldig meer
En al die ongewassen duizendtallen
Geleid door een zeer ongelikte beer
Die stonden daar dus op hun veld van eer
Massaal voor aap, het deed ons eerst geen zier
Al zwaaiden ze ook brullend met hun speer
Want ach – zij waren daar; wij waren hier


Toch werd het onplezierig voor ons allen
De voedselvoorraad leed aan wanbeheer
We aten eerst de paarden in de stallen
En deelden toen de laatste rotte peer
De conversatie werd bedrukt gelamenteer
De dorst verlamde onze speekselklier
Geen hulp in zicht, per trein of met het veer
Want tja – zij waren daar; wij waren hier

O lezer! Dat ik weer communiceer
Met in mijn hand het Vrije Versbanier 
Bewijst wel onze moed in deze sfeer 
De Hun trok af naar dáár, wij zijn nog hier!

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Na 5 ge4de verzen

De geest is niet gestaag actief,
o nee, ze is heel lui bij vlagen,
maar dan opeens wordt zij weer vief
en kent zij welbestede dagen
of nachten soms, die je nog steeds,
al wordt je oud karkas ook sleets,
probleemloos lijkt te kunnen skippen -
goed, rauwe keel en droge lippen,
maar dat komt van de sigaretten,
want roken doe je als een ketter.
Dan blaast een vlaag van inspiratie
je van creatie naar creatie,
al blijkt vrij vaak desanderendaags,
dat jou iets even moois als vaags
beroerd heeft dat de prullenbak
of, is die vol, een plastic zak,
in kan, rechtstreeks: papierverspilling;
je leest het met een lichte rilling
en slaat ontzet je lege handen
inéén en voor je mond vol tanden.

Maar ook gebeurt het, niet eens zelden,
dat je toch wèl iets had te melden.
Je leest het en glimlacht verzaligd,
zoekt of er nóg iets in je la ligt,
dat in de buurt komt van lyriek
en dus de toets van de kritiek
een dag nadien heelhuids doorstaan kan.
Maar nou en of! Je pinkt een traan van
geluk uit roodomrande ogen,
wat héét: je huilt nu, ongelogen,
en roept extatisch uit: "Wat ligt er
een toekomst vóór mij nog, als dichter!"

Dan is het oppassen geblazen
dat je niet straks, na tal van glazen
jenever in je stamcafé -
je vrienden drinken vrolijk mee,
géén vraagt er: wie zal dat betalen? -
haast de WC niet meer kunt halen
waar je zojuist verworven trots
met klodders slijm en gal en kots
afbrokkelt in de afvoerbuis -
en je weer dichter bent bij huis...