Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft



God is mens geworden

De Here God is waarlijk mens geworden!
Een mens was God: zoiets dat is uniek!
En zij die hierop schamperden en morden
En nare dingen schilderden op borden
Dat waren zeer onopgevoede horden
Een vieze vuile farizeeërkliek!

Matth. 16:15: 'U bent de messias, de Zoon van de levende God.'


Alle mensen zijn goden

Wij zijn al God, we zijn het niet geworden
We zijn met velen: God is niet uniek;
De knechten die stuurs op hun meesters morden;
De hongerlijders met hun lege borden;
De zwaargetatoeëerde voetbalhorden;
Tezamen vormen wij één godenkliek

Joh. 10:33: 'u bent een mens maar beweert dat u God bent!' Jezus zei: 'Staat er in uw wet niet geschreven:"Ik heb gezegd: 'U bent goden'"?' (Jezus weet wel vaker niet waarover hij praat, het staat niet in de wet, maar in Psalmen 82:6,7:  'Wel heb Ik gezegd: Gij zijt goden, ja, allen zonen des Allerhoogsten').

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

De Lorelei



Wat voel ik me triest dezer dagen,
ik weet niet wat dat beduidt…
Een oeroude Rijnlandse sage
die wil mijn hoofd maar niet uit:

De lucht is koel en het donkert
en rustig stroomt de Rijn,
de top van ’t gebergte flonkert
in late zonneschijn.

Die zonnestralen strelen
een wonderjonkvrouw daar;
goud blinken haar juwelen,
ze kamt haar gouden haar.

En bij het kammen zingt ze
een wonderschoon refrein –
zo machtig en prachtig klinkt ze
als ooit Heer Halewijn.

Een schipper, door hartzeer bevangen,
verliest zo zijn koers uit het oog:
het lied wekt een razend verlangen,
zijn blik gaat voortdurend omhoog.

En dan loopt zijn schip op de klippen,
geloof ik, dan is het voorbij;
een glimlachje speelt om de lippen
van Jonkvrouw Lorelei.

vrij naar Heinrich Heine (1797-1856):

Die Loreley

Ich weiß nicht, was soll es bedeuten,
dass ich so traurig bin;
ein Märchen aus uralten Zeiten,
das kommt mir nicht aus dem Sinn.

Die Luft ist kühl und es dunkelt,
und ruhig fließt der Rhein;
der Gipfel des Berges funkelt
im Abendsonnenschein.

Die schönste Jungfrau sitzet
dort oben wunderbar;
ihr gold’nes Geschmeide blitzet,
sie kämmt ihr goldenes Haar.

Sie kämmt es mit goldenem Kamme
und singt ein Lied dabei;
das hat eine wundersame,
gewaltige Melodei.

Den Schiffer im kleinen Schiffe
ergreift es mit wildem Weh;
er schaut nicht die Felsenriffe,
er schaut nur hinauf in die Höh’.

Ich glaube, die Wellen verschlingen
am Ende Schiffer und Kahn;
und das hat mit ihrem Singen
die Loreley getan.