Het vrije vers

Voor en door plezierdichters

Omdat light verse lééft






Na de dood gaan we naar de hemel

Ooit eindigt al dit ondermaans gewemel
Maar na de dood staan we niet buitenspel
Dan gaat de brave christen naar de hemel
Waar enkel taart gegeten wordt van Demel*
En vindt u dat maar klets en vroom gefemel
Dan moet u eeuwig branden in de hel

Openb. 7:9: 'Hierna zag ik dit: een onafzienbare menigte die niet te tellen was, uit alle landen en alle volken, van elke stam en elke taal. In het wit gekleed en met palmtakken in de hand stonden ze voor de troon en voor het lam.'


Na de dood is het afgelopen

Hoe zinloos is uw drukte en gewemel!
Het leven is een doelloos schimmenspel
Eenieder sterft en eeuwig zwijgt de hemel
Geniet dus maar en ga een keer naar Demel
Trek u niets aan van slap en vroom gefemel:
Er is geen hemel en er is geen hel

Pred. 9:4-6: 'Voor wie nog leven mag, is er nog hoop; beter een levende hond dan een dode leeuw. Wie nog in leven zijn, weten tenminste dat ze moeten sterven, maar de doden weten niets. Er is niets meer dat hen loont, want ze zijn vergeten.' 


* Wereldberoemde taartjeszaak in Wenen

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Forum (recent...)

Uit het archief

De Lorelei



Wat voel ik me triest dezer dagen,
ik weet niet wat dat beduidt…
Een oeroude Rijnlandse sage
die wil mijn hoofd maar niet uit:

De lucht is koel en het donkert
en rustig stroomt de Rijn,
de top van ’t gebergte flonkert
in late zonneschijn.

Die zonnestralen strelen
een wonderjonkvrouw daar;
goud blinken haar juwelen,
ze kamt haar gouden haar.

En bij het kammen zingt ze
een wonderschoon refrein –
zo machtig en prachtig klinkt ze
als ooit Heer Halewijn.

Een schipper, door hartzeer bevangen,
verliest zo zijn koers uit het oog:
het lied wekt een razend verlangen,
zijn blik gaat voortdurend omhoog.

En dan loopt zijn schip op de klippen,
geloof ik, dan is het voorbij;
een glimlachje speelt om de lippen
van Jonkvrouw Lorelei.

vrij naar Heinrich Heine (1797-1856):

Die Loreley

Ich weiß nicht, was soll es bedeuten,
dass ich so traurig bin;
ein Märchen aus uralten Zeiten,
das kommt mir nicht aus dem Sinn.

Die Luft ist kühl und es dunkelt,
und ruhig fließt der Rhein;
der Gipfel des Berges funkelt
im Abendsonnenschein.

Die schönste Jungfrau sitzet
dort oben wunderbar;
ihr gold’nes Geschmeide blitzet,
sie kämmt ihr goldenes Haar.

Sie kämmt es mit goldenem Kamme
und singt ein Lied dabei;
das hat eine wundersame,
gewaltige Melodei.

Den Schiffer im kleinen Schiffe
ergreift es mit wildem Weh;
er schaut nicht die Felsenriffe,
er schaut nur hinauf in die Höh’.

Ich glaube, die Wellen verschlingen
am Ende Schiffer und Kahn;
und das hat mit ihrem Singen
die Loreley getan.
 

Koop koop koop