Het vrije vers

Voor en door plezierdichters

Met Forum, Vorm én Vent



Frank van Pamelen pleit – in een stuk in de Volkskrant en in radio-interviews – enthousiast voor een herwaardering van Vondel en zijn rederijkerscompanen.
Een pleidooi waar Het vrije vers zich van harte achter schaart, vooral nadat een recente archiefvondst duidelijk maakt dat Vondel niet alleen een van de grondleggers ( en misschien wel dé grondlegger) van Het vrije vers is, maar bovendien duidelijk maakt dat Het vrije vers dit jaar 400 jaar bestaat!
Dat er een directe lijn van Vondel naar Het vrije vers loopt, moge duidelijk zijn uit de argumenten die Van Pamelen hanteert voor zijn oproep: “Zij vertaalden klassiek toneel naar de volkstaal, introduceerden satirisch theater, plaveiden de weg voor literaire maatschappijkritiek, populariseerden het sonnet, vervolmaakten humoristische taalspielerei. Acteurs, cabaretiers, columnisten, dichters, allemaal zijn ze schatplichtig aan Vondel & co.”
Allemaal elementen die je nog stééds bij Het vrije vers aantreft.

Wie aan Vondel denkt, denkt meestal aan serieuze wartaal als: ‘Het hemelse gerecht heeft zich ten langen leste’ en de Muiderkring, waar muzikanten, dichters en geleerden bijeenkwamen om de renaissance door te drukken in Nederland.
Maar die Muiderkring heeft nooit bestaan, dat was een romantische negentiende-eeuwse mythe om het nationalisme te voeden, zoals de historicus L. Strengholt aantoonde.
P.C. Hooft woonde als drost op het Muiderslot en ontving regelmatig gasten, maar in wisselende samenstelling, gewoon voor de gezelligheid. De zogenaamde ‘Muiderkring’ is nooit als groep in zijn geheel aanwezig geweest.
Het enige wat in die tijd  wél bestond als enigszins georganiseerd literair leven was Het vrije vers, onder zijn oude naam.
Dit was toen een groep landelijke, stedelijke dichters, die elkaar af en toe in Amsterdam trof bij Roemers Visscher thuis (na zijn dood in 1620 bij zijn dochters Anna en Maria Tesselschade) en, naar nu blijkt,  in 1616 die fiere naam aannam.
In mijn verhandeling over het bout rimé (zie bij de gratis e-books boven in de balk) vertel ik al  over de schoncken-sonnetten, de sonnetten met dezelfde rijmwoorden die leden uit de groep maakten als vernuftig taalspel.
En over de invloed die dat spel later, onder de naam bout rimé,  had op de straatjeugd en de eerste bekende straatrap-teksten  in Europa. Wat verklaart waarom van Pamelen meent dat ook de huidige rappers dank aan Vondel & Co. verschuldigd zijn.

Want ja, ook Vondel deed mee aan de eindrijmrage die toen ging heersen door die voncken-sonnetten.
En na de voncken-sonnetten was er, hierdoor geïnspireerd, de Knip-zang.
In 1654 schreef Hooft een reeks ondeugende versjes, de meeste in een  vaste vorm van negen regels met hetzelfde rijmschema:

Rozemond die lag te slapen
Blies Violen uit haar lippen;
  Pan die zag ‘t, en ylings liep
Zoetjes op haar borstje knippen;
Mids dat hy zijn duim liet slippen
  Viel een Beez van ’t Moerelof;
Die ’t recht op haar boezem mikte;
Dies hy riep (want hy verschrikte)
Ach, ach, ach, de speen is of.

Hierop ontstond een spel, waarbij vele dichters het verhaal om de beurt aanvulden met een strofe van gelijke vorm, waarin het woord knippen uit de vierde regel, liefst met een andere betekenis, moest voorkomen. Vondel was de eerste met:

Rozemond zag op en riep,
Met de dood op hare lippen,
  Toen de wang haar verf verschiep,
Boksvoet, wat bediet dit knippen?
Zoek in wouden en op klippen
  Andre jacht en Minnestof,
Zonder onzen slaap te steuren.
Mach ons dan geen rust gebeuren?
Och, och, och, dit is te grof.

Negentien bekende en onbekende dichters volgden zodat een verhaal ontstond, waarbij Vondel tenslotte de slot-zang dichtte. Een zekere J. D. Klijn volgde in 1655 nog met een serie van negentien gelijksoortige gedichten, Kermis-Gift voor de laatdunkende knippers en knipsters.
Het moge duidelijk zijn dat de groep zich bezig hield met gelijksoortige activiteiten als Het vrije vers nog steeds doet en dat deze traditie onafgebroken voortgezet werd. Etymologisch is de naam Het vrije vers dan ook afkomstig van de naam waar de groep zich mee tooide: Het Fraaye Veers. De spellingswijziging kwam tot stand in 1896 na hevig debat.

Dat die naam nu verwarring zaait, daar kunnen wij niets aan doen, het zogenaamde rijm- en metrumloze ‘vrije vers’ is een vrij recent bedenksel van ongetalenteerden, die eeuwen mokkend moesten toezien aan de zijlijn, met hun prullerige rijmseltjes slechts hoongelach oogstten van de ware taalmeesters en toen op de geniale gedachte kwamen de keizer zijn kleren uit te trekken en dat Poëzie te noemen.
Die lieden waren er ook al in de tijd van Vondel en juist om zich van hen te onderscheiden fungeerde Het Fraaye Veers als bastion tegen de onbekwamen, die ook toen al hoog van de toren bliezen.
Dit bewijst de vondst van een onbekende tekst van Vondel, duidelijk geschreven ter gelegenheid van de oprichting van dit selecte gezelschap, dat nu al vier eeuwen de banier van vormvastheid en taalspel hoog houdt. De hoon waar hij de ongetalenteerden mee overgiet is meesterlijk:




                     Op Het Fraaye Veers

    Ey mannen! sie ’t galmvinnicht Dichter-Rot
Met dag’lijcx vuyl, ’t papier en ons bekladden,
    Is ’t schroef-loos breyn ( lest in de kou versnot)
Aen ’t loosen van syn lang vergaerde Tadden?
Die schots gerijmelt, , tot veel laster dichten,
In eendracht poogen Burgher-brandt te stichten.

    ‘k Wed, dat het nu noch in de Slach-tijt waer,
Apollo sou u ’t hooft niet met Laurieren,
    Maer om dat knor-gedicht en swijn gebaer,
Met krulle-krans van Varckens starten cieren;
Nu magh ’t de Kuyper vast in hoepen buygen,
Het Fraaye Veers sorght voor de yuiste duygen

’t Amsterdam 1616
den 21e inWintermaant              Joost van den Vondel

Daarnaast  bewijst de datering dat aan het eind van dit jaar Het vrije vers zijn vierde eeuwfeest mag vieren. Reden genoeg om Vondel in ere te herstellen en van volgend jaar niet alleen een Vondel-jaar, maar tevens een Hetvrijevers-jaar te maken.
De subsidie-aanvraag is vandaag gepost.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Forum (recent...)

Uit het archief

Ons dorp



De halte van de dorpsbus was een donker houten hokje
Door stelletjes in wording werd er 's avonds flink geflirt
De eerste zoen, een flesje bier, een hand onder een shirt
Een trekje van een sigaret, een blik onder een rokje

Wanneer allengs de liefde serieuzer werd, vertrok je
Je wandelde een rondje om het kerkplein met zijn twee
De jongen vroeg verkering, en het meisje zei nooit nee
We noemden die traditie in mijn jeugd 'het aanmaakblokje'

Koop koop koop