Het vrije vers

Voor en door plezierdichters

Met Forum, Vorm én Vent



Zoals bekend heeft Ilja Pfeijffer het licht gezien en, na vele jaren luidkeels en bij herhaling geroepen te hebben dat poëzie vooral onbegrijpelijk moest zijn, zich de laatste jaren opeens bekeerd tot de ouderwetse verstechniek.
Een sonnettenkrans en een dik boek met alexandrijnen waren het resultaat en in interview na interview legde hij uit hoe moeilijk dat was en hoe hij de  techniek uiterst vakkundig en op geniale wijze hanteerde.
In een radio-interview verdedigde hij van de week nog de opname van maar liefst 19 pagina’s  Annie M. G. Schmidt in zijn nieuwe bloemlezing, met de opmerking dat er veel meer achter die schijnbaar eenvoudige zinnen zit en ze over een geweldige beheersing van de verstechniek beschikte.
Toch maakte zich een licht wantrouwen van mij meester toen ik deze enthousiaste verdediging en lofprijzing van de verstechniek aanhoorde uit de mond van iemand die zo helder en overtuigend blijk gegeven had totaal geen kaas te hebben gegeten van deze materie.

Zeker, die laatste boeken van hem getuigden van een werklust die prijzenswaardig is, maar niet van beheersing van de verstechniek: de sonnetten waar hij zo trots op was, waren helemaal geen sonnetten, maar veertienregelige gedichten, wat iets anders is, met rammelend metrum en rijm en de alexandrijnen waar hij op pochte, waren geen alexandrijnen, maar zesjambige regels, die wanhopig tegenspartelend in het meest gekunstelde en foute rijm gewrongen werden.
De langdradig voortzeurende Jacob Cats schreef vaak zwakke alexandrijnen, maar het waren in elk geval meestal alexandrijnen.

Diep, diep in die te ruimhartig geboetseerde gestalte, die zich zo zelfverzekerd over zijn eigen genie uitsprak, moést toch het besef aanwezig zijn dat het verstechnisch klungelwerk was wat hij produceerde, als hij werkelijk, zoals hij niet naliet rond te bazuinen, zo’n kennis van de prosodie bezat.
Dat hij er mee wegkwam was alleen te wijten aan het gegeven, dat onder de poëziecritici in de vaderlandse couranten elk benul van verstechniek al lang verdwenen is. Maar ergens in hem moest de angst huizen dat hij door de mand zou vallen en ieder moment kon een kind roepen dat de keizer geen kleren droeg.
Om dit te voorkomen volstond, dacht hij blijkbaar, alle contemporaine dichters, die qua verstechniek en evenwicht tussen vorm en inhoud torenhoog boven hem uistaken, op een enkeling na, in zijn bloemlezing rigoreus weg te wieden en de opengevallen plaatsen ruimhartig te vullen met de onschuldige Annie M. G. Schmidt, als bewijs hoezeer zijn hart uitging naar de verstechniek. 

Remko Koplamp telde in de gauwigheid al de volgende namen en dan moet het doorspitten nog beginnen: Jaap Bakker, F.L.Bastet, Jan Boerstoel, Marijke Boon, Charivarius, Hans Dorrestijn, Paul van den Hout, Simon Knepper, E. Laurillard, Jeroen van Merwijk, John O’Mill, Cees van der Pluijm, Nico Scheepmaker, Patty Scholten, J.H.Speenhoff, Ivo de Wijs en Daan Zonderland.
Mensen die ook wel onder het ‘light verse’ gerekend worden. Om Drs. P kon hij niet heen, niemand kan om Drs. P heen, maar ook zijn aandeel is drastisch teruggebracht.

Maar het meest veelzeggend is de weglating van alle gedichten, opgenomen door Komrij, van  de Dichter des Vaderlands Driek van Wissen.
In plaats daarvan plaatst hij één vierregelig, simpel versje van hem, dat afgedrukt stond op balpennen die Van Wissen uitdeelde bij zijn campagne voor Dichter des Vaderlands.
Een kinderachtiger manier om iemand weg te zetten die de verstechniek, waar Pfeijffer zich zo op voorstaat, wél tot in de puntjes beheerste, is moeilijk denkbaar. 

Tevens is het een huiveringwekkende hint wat zijn ambitie is en wat ons land mogelijk te wachten staat in januari, als een nieuwe Dichter des Vaderlands benoemd gaat worden door een clubje, waarvan de wijkende kinnen het somberste doet vermoeden over hun familieverwantschap.
Ik vrees met grote vreze dat ons lieve vaderland een poëtische Trump te wachten staat, tenzij snel actie ondernomen wordt.
Ik weet het, ik weet het, we hebben net die discussie over aanzetten tot geweld en het mag niet, maar toch, als ik denk aan al die hongerige monden in de hongerlanden die gevoed kunnen worden van de uitgebakken kaantjes en de reuzel…
Poëtische gedachte!

 

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Forum (recent...)

Uit het archief

Ballade van de dooi

De winterkoude is alweer voorbij;
we kunnen ons wat luchtiger gaan kleden.
De aarde wordt van witte smetten vrij
en ongeschikt voor schaatsen en voor sleden.
Wij zijn wat te veelvuldig uitgegleden,
minister, wijkagent en lichtekooi.
Maar dat behoort nu echt tot het verleden,
nu zijn we heel gelukkig met de dooi.

Aanvankelijk is iedereen nog blij:
zo’n witte kerst stemt heel het land tevreden.
De witte schapen in de dito wei
en met je slee de dijk af naar beneden.
Nee, voor gemopper is er echt geen reden;
het uitzicht is dan ook betoverend mooi.
Al werd dat winterwonderland aanbeden,
toch zijn we heel gelukkig met de dooi.

Ik zet voor u de feiten op een rij.
Een ieder praat van schaatsen langs elf steden.
Helaas is al het ijs bevroren brij
en dient het voor de veiligheid vermeden.
Ook moet het thema strooizout aangesneden:
het houdt de gladheid weg, maar geeft zo’n zooi.
Zo zijn er nog wat ongemakkelijkheden,
dus zijn we heel gelukkig met de dooi.

O Prins, die Koning Winter heeft bestreden,
gij overwinnaar van het ijstoernooi.
Wanneer we nog één sneeuwbal mogen kneden,
dan zijn we heel gelukkig met de dooi.

Koop koop koop