Het vrije vers

Voor en door plezierdichters

Omdat light verse lééft



De Haper kan niet slapen,
zijn denkschuif wil niet dicht.
Zijn vliegwiel blijft maar draaien,
wat o zo lastig ligt.

‘O was ik maar een kater,
een doedier zonder dacht!
Dan volgde ik mijn snorren
en joeg de hele nacht.’

De Haper ligt te malen,
wak staart hij in het donk.
Er kruipen kriebelmieren
door zijn gedachtenkronk.

‘O was ik maar een gaper
die omviel van de slaap!
Helaas, ik ben een Haper,
ik haap.’
 

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Forum (recent...)

Uit het archief

De Gingginger



In
een woud hier ver vandaan
leeft een schepsel, heel alleen.
Hij kan rollen, maar niet staan,
heeft geen been, geen voet, geen teen.

Oh, wat moet hij eenzaam wezen,
deze purperen gingginger,
die niet eens een boek kan lezen
want hij heeft geen hand, geen vinger.

'k Heb zo'n meelij met het dier,
maar dat woud is ver van hier.

Voor zijn achteroverneven
(heel gelijkend, maar wel groen)
die in onze streken leven
kan ik echter wél iets doen!

Hen verzorgen is een pretje,
zie ze soezen in de lommer.

Ik bereid hun vinaigretje
want ik hou zo van komkommer.

Koop koop koop