Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft



POTDOMME, zei de dominee. We kunnen niet naar buiten…
We zijn volledig ingesneeuwd, van hier tot aan de heg.
Tompoezen of een mokkapunt, daar kunnen we naar fluiten:
wie heden naar de bakker wil, zakt tot z’n middel weg.

Veronica zei sip: Maar ik wou sneeuwballen gaan gooien,
ik wou een sneeuwpop maken met vier voeten en een staart!
De dominee sprak omineus: Tenzij het gauw gaat dooien
wacht ons een Wisse Hongerdood en eet u nooit meer taart.

Daar zaten ze mistroostig uit het serreraam te staren.
’t Leek buiten Nova Zembla wel, zo ijselijk en guur.
De dominee die telde bitter zuchtend zijn sigaren –
toen doken er twee beren op, ter hoogte van de schuur.

De dominee riep: Sodeju, ik ga hallucineren!
Aan mij verschijnen beren in een Hongervisioen.
Het is geen sivioen, zei ’t schaap. En het zijn ook geen beren.
Ze dragen wanten en een muts – het zijn de dames Groen.

Waratje, zei de dominee, ze roetsjen naar beneden
in grote dikke bontjassen, kloekmoedig op de ski!
En als mijn oog me niet bedriegt, dan trekken ze een slede
vol brandewijn en bitterkoekjes, bolknakken en brie.

Ze takelden de proviand naar binnen langs ’t balkon.
Ziezo, zeiden de dames Groen. En nu een ijsbonbon.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Slaapwandelaar



Ik weet niet wat het is, ik ben een slaapwandelaar
Als ik jouw stem maar hoor, val ik in slaap
Dan sta ik op en loop je achterna waar je maar gaat
tot aan dat hoge venster waar die ladder onder staat

        Ik zie je blanke boezem beschenen door de maan
        Zo heeft een oude meester je ook al eens zien staan
        Hij lijstte dat beeld voor me in

        Ook al zeg jij: dagdromerij
        Ik hoor bij jou en jij bij mij
        Mijn meisje, mijn vriendin

Ik weet niet wat het is, ik ben een slaapwandelaar
Ik klim die ladder op in diepe slaap
Jouw kamer is de enige waar licht schijnt in de nacht
Jouw zachte stem vertelt me dat je boven op me wacht

        Ik zie je tere hals in de zachte maneschijn
        Daar leun je naar me over vanuit het raamkozijn
        Een toonbeeld van liefde en trouw

        Ook al zeg jij: doordraverij
        Ik hoor bij jou en jij bij mij
        Mijn minnares, mijn vrouw

        [Geluid van brekend glas]

Dan schrik ik wakker, helemaal verdwaasd
Ik bungel aan je vensterbank en overal is glas
Beneden in de diepte ligt een ladder in het gras

        Ik zie mezelf gevangen in onderbuurmans raam
        Daar gaapt mijn eigen kop me verbaasd, verbijsterd aan
        Zo gaat het nou iedere keer

        Ik hoor je stem die zegt: Mijn God
        Ik ga hier nog eens aan kapot
        Het is die stalker weer

Ik weet niet wat het is, ik ben een slaapwandelaar
Als ik je stem maar hoor, val ik in slaap…
 

Bundels