Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft



De Nimmermerel


Mistroostig valt de avond
en sip verschijnt de maan;
ze moet nog veertien nachten
maar vindt er niks meer aan.

Een ijverige dichter
doolt peinzend door het park.
Soms struikelt hij over een schaduw,
soms trapt hij in een hark.

Soms staat hij stil en luistert
en proeft de atmosfeer…
Dan klinkt in ’t schemerduister
een droef gekwinkeleer.

Wie zingt daar in die pijnboom,
onwerelds mooi en triest?
De dichter pakt zijn zakdoek,
hij hikt, hij snikt, hij niest.

Wat ruist daar langs de takken,
wat druipt er in zijn nek?
Bijziend kijkt hij naar boven,
ziet slechts een vage vlek.

‘O maan! Jij doet me denken
aan mijn vriendin Aleid:
dat grillige, dat fletse,
die ongenaakbaarheid.

Ik stuurde haar sonnetten,
zij reageerde stug.
Zal ooit haar hart ontdooien,
zie ik haar ooit terug?’

Iets dwarrelt naar beneden,
het is een zwarte veer.
Iets ritselt in de boomtop
en fluistert: ‘Nimmermeer.’

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

4 Staatslieden: Troelstra (1860 - 1930)

Zijn vrouw strijdt tegen hem een zware strijd.
Als echtgenoot is hij een potentaat
die vrouwen ziet als koffieautomaat
maar wel op zondag de rollade snijdt.

Die kamerbreed om recht voor allen pleit,
(wat hij z’n vrouw in wanhoop wensen laat)
en voor de macht van ’t proletariaat
als onafwendbaar socialistisch feit.

Met: ”Heren, ‘t stelsel is vermolmd en rot”,
roept hij in ’t parlement de opstand uit.
Dat loopt hoog op. De spanning is te snijden.

Helaas, de staatsgreep is een zwaktebod
omdat hij in z’n stappenplan niet duidt
hoe je, wie al bevrijd is, moet bevrijden.