Groot, die kersenboom, en dik.
Wie erin klom? Ja hoor, ik!
Mijn armen stevig om de stam,
ik keek zo ver als ik nooit kwam.

Ik zag de buurtuin van heel hoog,
een bloemenpracht kreeg ik in ’t oog.
En nog meer moois kwam voor de dag
dat ik niet kende of ooit zag.

Ik zag de lucht weerspiegeld in
rivierenblauwe kronkeling;
het stoffig stuiven, heen en weer,
van wegen met hun druk verkeer.

Als ik een hogere klimboom vond
zag ik nog verder in het rond,
tot daar waar de rivier volgroeid
in heel de zee vol schepen vloeit.

Tot waar de weg aan elke kant
nog doorloopt tot in sprookjesland,
waar elk op tijd aan tafel gaat
en al je speelgoed met je praat.
 
 

Foreign Lands

Up into the cherry tree
Who should climb but little me?
I held the trunk with both my hands
And looked abroad on foreign lands.

I saw the next-door garden lie,

Adorned with flowers, before my eye,
And many pleasant places more
That I had never seen before.

I saw the dimpling river pass

And be the sky’s blue looking-glass;
The dusty roads go up and down
With people tramping in to town.

If I could find a higher tree

Farther and farther I should see,
To where the grown-up river slips
Into the sea among the ships,

To where the roads on either hand

Lead onward into fairy land,
Where all the children dine at five,
And all the playthings come alive.
 
Robert Louis Stevenson (1850-1894)
 
 

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Kwááák!



Piet Bakker ging op vrijdagavond vast
ter lessing naar ’t café van Opoe Bekker.
De jonge klare was er koel en lekker
en nooit stond er een glas leeg op de kast.

Zo rond de klok van elven, vaste prik
stond Piet vanwege wat hij had genoten
meestal een beetje wankel op de poten
en in zijn stem klonk nu en dan een hik;
dat was zijn tijd om op de fiets te stappen.

Maar op een keertje zat het hem niet mee
en reed hij in de sloot voor het café
in plaats van op het asfalt door te trappen.

Piet kwam vol kroos en prut het water uit
met op zijn kop een levensgrote puit.