kantelend bekken

ongebreidelde pagadder
in moeras
van verbolgen makrelen?

kaasmijt
francofiel
in deze camembert!

knikker in putje:
‘pet op één oor’
(tien koekoeksklokken in de hand)

- o melaatse asceten -
glimt gij worm

Kaja is een rebelse tegendraadse dichteres,in die zin dat zij het officiële literaire circuit, en vooral het officiële literaire bedrijf, vaarwel heeft gezegd, de rug heeft toegekeerd. Zij doet het allemaal zelf wel. Tegen de stroom in, als een zalm in het voorjaar om kuit te schieten.
Kaja  toont zich in Kantelend bekken  een begenadigd dichteres. Moeiteloos bespeelt zij een veelheid aan registers – zoals Abe de Vries al aangaf in zijn uitstekende bespreking 'Meer registers dan een gemiddeld Brabants kerkorgel', onlangs geplaatst op De Contrabas, in zijn vaste rubriek 'Studio Oudebildtzijl'.

Voortdurend lijkt de satiricus in Kaja met de lyricus om voorrang te strijden. De twee leven op gespannen voet met elkaar, en juist dát maakt deze poëzie zo intrigerend. En dan noem ik alleen de twee hoofdtendenties die Kaja in zich verenigt. (Ik vermoed overigens dat Kaja, in essentie, een humanist is – al zal zij dit zelf, ongetwijfeld, ten stelligste ontkennen. Een humanist met een dik nietzscheaans pantser – of pose –, weliswaar.)

 

Dreigt het gedicht té lyrisch te worden, dan wordt deze lyriek vakkundig gesaboteerd – wordt haar de mond gesnoerd door over te schakelen op een spottende modus. Of een narrige, harde modus. Of een absurdistische modus. Of een prozaïsche modus. Of zelfs een grove modus. Of het gedicht wordt kortweg onderuitgeschoffeld door uit het gedicht te treden en de lezer of criticus rechtstreeks aan te spreken, en in enkele gevallen zelfs uit te schelden of belachelijk te maken.

Soms lijkt het alsof, halverwege dit lyrische en ál te mooie gedicht, Kaja zichzelf dat verwijt – zichzelf een klap in het gezicht geeft of met de vuist op tafel slaat: 'Nou is het afgelopen, godverdomme! Niet dat zijige, dat lijzige, dat weke. Ik schrijf geen poëzie voor mietjes!' En zij wisselt van spoor, gooit het over een andere boeg. Dan wordt haar taal gewapend en straf in plaats van teder en kwetsbaar.

Kaja beschikt over een zeer sterk beeldend en associatief vermogen – zó ongebreideld, en soms onnavolgbaar, dat zij met recht een der origineelste dichters van haar generatie genoemd kan worden.

Neem de openingsregel:

Ongebreidelde pagadder.

Dit fraaie beeld zit vol associatieketens, die (onder andere!) gebaseerd zijn op klankverbindingen en visuele overeenkomsten. 'Pagadder' is een fraai neologisme, een contractie van 'pagan' (heiden) en 'adder' (een soort slang). Er klinkt 'Pah' in door (een Indiaanse naam voor de god van de maan) , én 'gadver'. Klankmatig vormt zich de reeks: on-br-dulde-ag-â-dr , halfrijm: acconsonantie, assonantie – maar vooral: een gadder-klank, die doorheen de hele regel resoneert: als het zware (zwaarder dan van een bij) braken,  het kokhalzen, het 'gadver' geluid dat een adder inderdaad oproept.

Het is een lyrisch gedicht, dat evenwel in de tweede regel meteen op een ander spoor wordt gezet. De dichteres neemt hier de zeer prozaïsche uitdrukking 'in moeras'  in de mond.

Ook hier kan men (behalve deze uitdrukking 'letterlijk' te nemen – in zoverre dat bij uitdrukkingen mogelijk is) echter een associatie vermoeden. Bij  ‘In moeras’ denken we aan ‘aan de grond raken’, ‘in moeders  (‘moer’) as’, ‘in het vermoeide ras’ (moe ras): De Untergang des Abendlandes- symboliek schemert hier door de regel; een associatie gebaseerd op vergankelijkheid.

 ‘ van verbolgen makrelen’ :  kennelijk wordt de dichteres gelijkgesteld aan of vergeleken met de in de duisternis van de diepe zee zijn donkere gang gaande makreel in de gemoedstoestand die past bij schepsels die er ook niet om gevraagd hebben in deze schemertoestand te moeten vertoeven.

Dan volgen twee, tegenstellingoproepende, regels:

'kaasmijt

 francofiel'.

De dichteres-francofiel spoort de lezer aan haar, onder andere, te verwarren met de kaasmijt en geeft een ogenschijnlijk concrete plaatsbepaling:' in deze camembert'. Dit is een associatie op basis van kleur en smaak: het zwart van het moeras tegen het witte vlees van de makrelen, de camembertsmaak, ontstaan door bederf, bederf dat ook de kaasmijt aanricht.

Het listige is dat de dichteres de lezer aanspoort haar te verwarren met de kaas  en makrelen, maar dat zij dat natuurlijk feitelijk zélf doet – zij vergelijkt (verwart) zichzelf daarmee, en zodra zij dat doet is het een fait accompli. De lezer kan niet anders meer dan hierin meegaan.

Het 'o melaatse asceten/glimt gij worm' in de slotregels lijkt een sneer naar de lezer, de woorden zijn immers tot hém gericht. In het gedicht wordt de lezer dus opgezadeld met een akelige ziekte en een geringe afmeting met weinig mimiek.

Het 'glimt gij worm' staat echter ook in associatie met de 'knikker in putje ‘drie regels eerder: deze knikker glimt immers óók, maar heeft een in zichzelf gekeerde, ronde vorm die de gedachte aan contemplatie oproept, maar ook aan eindeloze cirkelredeneringen, een tot niets leidende zelfbespiegeling in tegenstelling tot het de aarde onderzoekende en explorerende van de aardworm, de Lumbricus terrestris.

Kortom: in deze regel wordt juist de lezer, door de dichteres, verward met 'een knikker' – en niet andersom: de dichteres door de lezer (op diens instigatie, weliswaar). De dichteres-kaasmijt landt in de aarde in het  hart van de lezer-worm, beiden lijdend aan dezelfde ascese-melaatsheid, een verbondenheid komt tot stand tussen lezer en dichteres, een lots-verbondenheid van Nietzscheaanse afmetingen en inderdaad ben ik na lezing wenend de straat opgegaan en heb daar het paard van de schilleboer gekust. Wat anders rest na lezing van dit werk?

'Kantelend bekken' steekt, alleen al klankmatig, vernuftig en uitgekiend in elkaar, door die vermenging van registers en genres. Prozaïsche formuleringen ('pet op één oor') worden afgewisseld met uitgesproken lyrische, mooie formuleringen ('o melaatse asceten').

De slotregel is wonderschoon: 'Glimt gij worm.' Die klinkt na, blijft in je hoofd hangen.
Dit gedicht is kraakhelder maar raadselachtig. Fascinerend tot en met de laatste letter, niet voor niets een m...

 

 

 

 

 

 

 

 

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

99



De pee in


Zeg, doe eens niet zo nukkig
Dit plekje lijkt me fijn
En prijs je maar gelukkig
Dat hier geen leeuwen zijn

Ach krijg het heen en weer, man
Hier komt toch nooit een leeuw
En evenmin een veerman
Die voer hier haast een eeuw

Hij stroomt toch schilderachtig
Die machtige rivier
De and’re kant is prachtig
En deze hier is hier

Jij deed de APK niet
Wij hoorden krak, krak, krak
Want omdat jij dat naliet
Brak de versnellingsbak

Let ook eens op de fauna
Daar loopt een adelaar
Ik heb het tegen jou, ja
Hoe suffend sta je daar

We moeten nu maar hopen
In Omsk te zijn met kerst
Straks moeten we nog lopen
Een kleine honderd werst

Doe jij toch niet zo duf nou
Straks geef ik je een haal
En dan ben jij de juffrouw
Die ligt in ’t trapportaal