Het vrije vers

Voor en door plezierdichters

Met Forum, Vorm én Vent

Ljouwert
Bij het binden van de riemen
Gaat de oostenwind al striemen.

Snits
Neuzen, oren vriezen af
Want een oostenwind is straf.

Drylts
Onder ijselijk gekrijs
Zakt een schaatsploeg door het ijs.

Sleat
Dat is boffen: na een krak
Weer een schaatser in een wak!

Starum
Prachtig, zo’n Elfstedentocht
Maar dat Bearenburch is bocht.

Hylpen
Hoor, mijn kachel loeit en snort
En mijn kater spint en knort.

Warkum
Ik verveel mij geen moment
En die Bearenburch, die went.

Boalsert
Wel gaat men er, hik! van hikken.
Knieën kraken, enkels zwikken.

Harns
Zonder Tocht worden met reden
Deze steden strikt gemeden.

Frjentsjer
Daarom kent men in die plaatsen
Hollanders alleen op schaatsen

Dokkum
Bezig, met oranje mutsen
’t Fryske gea te verprutsen.

Ljouwert
Maar wie wint met vele uren?
Juist, dat is W.A. van Buren.

 

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Forum (recent...)

Uit het archief

Schoonheid (Baudelaire)



De schoonheid

Ik ben mooi, en voor mensen een droom van albast,
en mijn borst, waaraan ieder zich steeds weer bezeert,
is gemaakt met als doel dat hij dichters sommeert
tot een liefde die zwijgend is, tijdloos en vast.

Waar ik troon als een sfinx in het hoge azuur
is mijn hart als van sneeuw, ben ik wit als een zwaan.
Ik verfoei het dat lijnen teloor kunnen gaan,
dus ik lach noch ik huil, en ben nooit overstuur.

Aan de voet van mijn rijzige marmerstatuur,
die immuun is voor zonlicht, voor striemende wind,
tuurt mijn meute van minnaars omhoog, uur na uur,

naar de glans van mijn ogen, het spiegelend paar,
waar ze zoekt, in een roes die hen allen verbindt,
naar een glimp van wat schoon is, onzegbaar en klaar.



xxxxx

La beauté

Je suis belle, ô mortels! comme un rêve de pierre,
Et mon sein, où chacun s'est meurtri tour à tour,
Est fait pour inspirer au poète un amour
Eternel et muet ainsi que la matière.

Je trône dans l'azur comme un sphinx incompris;
J'unis un coeur de neige à la blancheur des cygnes;
Je hais le mouvement qui déplace les lignes,
Et jamais je ne pleure et jamais je ne ris.

Les poètes, devant mes grandes attitudes,
Que j'ai l'air d'emprunter aux plus fiers monuments,
Consumeront leurs jours en d'austères études;

Car j'ai, pour fasciner ces dociles amants,
De purs miroirs qui font toutes choses plus belles:
Mes yeux, mes larges yeux aux clartés éternelles!

Koop koop koop