Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft



De haargroei van een man geeft wel te denken.
Bij zijn geboorte is-ie meestal glad,
da’s makkelijk voor in het babybad,
de kraamhulp kan hem zo geen haartje krenken.

Maar na een tijdje groeit er toch wel wat
op ’t schedeldak en brauwen om te wenken.
De oksels gaan rond dertien schaduw schenken
tot slot de baard dan heb je ’t wel gehad.

Na jaren komt tersluiks de ommekeer:
het hoofd vertoont als eerste dunne plekken.
Door kaalslag laat het kruis ook menig veer,
maar daar waar het niet moet, ontspruiten stekken.

~De neus en oren doen?~, vraagt de coiffeuse.
Behendig zoeft ze rond met haar tondeuse

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Als alle mensen (Utrechts sonnet 15)



Als alle mensen eensklaps bloemen waren
Dan vormden wij een grandioos boeket
En hoefden niet van alles te vergaren
We toonden samen slechts een rijk palet

En hoefden niet van alles te vergaren
De reuzenbos gaf elke bloem cachet
Dus vlogen wij elkaar niet in de haren
We stonden als gelijken ingebed

Dus vlogen wij elkaar niet in de haren
We waren hier toevallig neergezet
En hoefden niet van alles te vergaren
We toonden samen slechts een rijk palet

Maar bloemen, nee dat zo kun je ons niet noemen
Tenzij we dat uit alle macht verbloemen


Eerste regel van Leo Vroman