Het vrije vers

Voor en door plezierdichters

Omdat light verse lééft



Het buigen was in vroeger tijd een wijd verbreid gebruik,
men deed het voor de Koning dan wel Edelman met pruik
en als je het vergat, welaan dan schopten ze je rot
of erger nog, als ’t tegen zat dan wachtte het cachot.

Er is zelfs een historie van de Kardinaal van Luik
die buigen niet voldoende vond, het volk moest op de buik.
Een onderdaan die dat niet kon -hij werd door jicht beknot-
bekocht dat met zijn leven, door de bijl op het schavot.

Die barre tijd lijkt nu voorbij, ik zeg met opzet lijkt,
want als je in de politiek de hiërarchie bekijkt,
verwachten de ministers met de president voorop,
dat ieder die wat lager staat hen toe neigt met de kop.

Edoch, ook in Den Haag verandert snel het buigklimaat
omdat er menig staatsman al te vaak te kakken staat. 

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Forum (recent...)

Uit het archief

Het monster van de angst


Anne Vegter en haar echtgenoot

We zijn blij en verheugd dat de Dichteres des Vaderlands eindelijk eens een bijzonder geslaagd product heeft afgeleverd. We plaatsen het hier in zijn geheel:

Komt een duif van honderd pond,
een olijfboom in zijn klauwen,
bij mijn oren met zijn mond
vol van koren zoete vrouwen,
vol van kirrende verhalen
hoe de oorlog is verdwenen
en herhaalt ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.

Sinds ik mij zo onverwacht
in een taxi had gestort
dat ik in de nacht een gat
naliet dat steeds groter wordt,
sinds mijn zacht betraande schat,
droogte blozend van ellende
staan bleef, zo bleef stilstaan dat
keisteen ketste in haar lenden,
ben ik te dicht en droog van vel
om uit te zweten in gebeden,
kreukels knijpend evenwel,
en 'vrede' knarsend, 'vrede', 'vrede'.

Liefde is een stinkend wonder
van onthoofde wulpsigheden
als ik voort moet leven zonder
vrede, godverdomme, vrede;
want het scheurende geluid
waar ik van mijn lief mee scheidde
schrikt mij nu het bed nog uit
waar wij soms in dromen beiden
dat de oorlog van weleer
wederkeert op vilte voeten,
dat we, eigenlijk al niet meer
kunnend alles, toch weer moeten
liggen rennen en daarnaast
gillen in elkanders oren,
zo wanhopig dat wij haast
dromen ons te kunnen horen.

Mag ik niet vloeken als het vuur
van een stad, sinds lang herbouwd,
voortrolt uit een kamermuur,
rondlaait en mij wakker houdt?
doch het versgebraden kind,
vuurwerk wordend, is het niet
wat ik vreselijk, vreselijk vind:
het is de eeuw dat niets geschiedt,
nadat eensklaps, midden door een huis,
een toren is komen te staan van vuil,
lang vergeten keldermodder,
snel onbruikbaar wordend huisraad,
bloedrode vlammen van vlammend
rood bloed, de lucht eromheen behangen
met levende delen van dode doch
aardige mensen, de eeuwenlange stilte voor-
dat het verbaasde kind in deze zuil
gewurgd wordt en reeds de armpjes
opheft.

Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen,
en herhaal ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.

Koop koop koop