Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft



a Wij varen met zijn vieren door de tijd
b Wij, en twee mensen die wij vroeger waren
A1 We zijn de romantiek al jaren kwijt:
B1 Als je niet slaapt dan ben je aan het baren

A1 We zijn de romantiek al jaren kwijt
b Tezamen met mijn laatste wilde haren
A2 We worden oud, vol droefenis en spijt
b En zijn te zuur om iemand nog te sparen

A2 We worden oud, vol droefenis en spijt
b Ik denk dat ik het nu durf te verklaren
A1 We zijn de romantiek al jaren kwijt
B1 Als je niet slaapt dan ben je aan het baren

c Er ligt geen mooie tijd in het verschiet:
c Het is gedaan en beter wordt het niet

(De eerste twee regels van Ingmar Heytze, in zijn vertaling van Shakedinges)

Het gebeurt niet elke dag dat er een nieuwe versvorm wordt bedacht en de meeste sterven in de couveuse, maar deze boreling van Peter Knipmeijer, heeft potentie en we verwachten er meer van. Voor wie niet snapt hoe het werkt zijn de aanwijzingen in de tekst verwerkt (die letters en cijfers vooraan de regel, die bij voordracht onuitgesproken dienen te blijven). 
Het verwerken van een bekend citaat is geen voorschrift, maar wordt wel aangeraden.

Redactie HVV

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Speciaal voor de Gedichtenweek



De Nimmermerel


Mistroostig valt de avond
en sip verschijnt de maan;
ze moet nog veertien nachten
maar vindt er niks meer aan.

Een ijverige dichter
doolt peinzend door het park.
Soms struikelt hij over een schaduw,
soms trapt hij in een hark.

Soms staat hij stil en luistert
en proeft de atmosfeer…
Dan klinkt in ’t schemerduister
een droef gekwinkeleer.

Wie zingt daar in die pijnboom,
onwerelds mooi en triest?
De dichter pakt zijn zakdoek,
hij hikt, hij snikt, hij niest.

Wat ruist daar langs de takken,
wat druipt er in zijn nek?
Bijziend kijkt hij naar boven,
ziet slechts een vage vlek.

‘O maan! Jij doet me denken
aan mijn vriendin Aleid:
dat grillige, dat fletse,
die ongenaakbaarheid.

Ik stuurde haar sonnetten,
zij reageerde stug.
Zal ooit haar hart ontdooien,
zie ik haar ooit terug?’

Iets dwarrelt naar beneden,
het is een zwarte veer.
Iets ritselt in de boomtop
en fluistert: ‘Nimmermeer.’