Het vrije vers

Voor en door plezierdichters

Met Forum, Vorm én Vent




Hemelstrepen


Ik kijk zo graag omhoog naar hemelstrepen,
zorgvuldig in de blauwe lucht getrokken,
een lange ongebogen rechte lijn.
Ze worden door de straalstroom vastgegrepen
en waaieren uiteen als zomerrokken
totdat het bijna echte wolken zijn.

De mens is aan de zwaartekracht ontheven
en almaar hoger trekt hij, onverschrokken;
de hemel is zijn trots, zijn kroondomein.
Hij brengt de hele stratosfeer tot leven
                  als Frankenstein

Niels Blomberg


Enige uitleg
Dit is natuurlijk geen echt sonnet. De naam is curtal sonnet, oftewel verkort sonnet. Het is een uitvinding van de Engelse dichter Gerard Manley Hopkins, een jezuïet die vrij onleesbare poëzie schreef.
Het curtal sonnet is driekwart van een Italiaanse sonnet. Het octaaf wordt een sestet en het originele sestet wordt ingekort tot vier en een halve regel. Het rijmschema is bcabc dcbdc of abcabc dbcdc

Enige links:
Mooie compacte definitie: www.britannica.com/EBchecked/topic/147147/curtal-sonnet
Uitgebreidere beschrijving: en.wikipedia.org/wiki/Curtal_sonnet

Hopkins heeft ook een geheel eigen opvatting van metrum: en.wikipedia.org/wiki/Sprung_rhythm
Ik houd het voorlopig op vijfvoetige jamben, behalve uiteraard in de laatste regel.

( Deze bijdrage aan de Reis is van de hand van Niels Blomberg)

 

De tuinman schrikt zich dood

Vanmorgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik
En met een poepvlek achter op zijn broek
Mijn woning in: ‘Heer, Heer, één ogenblik!
Aanhoor mijn uiterst dringende verzoek!

Ginds in de rooshof, snoeide ik loot na loot
Na ’t knippen van de toppen van de wiet
Toen keek ik achter mij. Daar stond ‘de Dood’
Nou u begrijpt, ik schrok me echt een biet!

Ik schrok en haastte mij naar de andere kant,
Daar waar de wiet normaal wordt dichtgeseald
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand
Die hij gehandschoend opgeheven hield

Meester, uw paard en laat mij spoorslags gaan
- De trein rijdt weer eens niet – en ik vertrek
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!
Er zijn vast weer problemen met de crack!’

Vanmiddag (lang reeds was hij heen gespoed)
Na ’t roken van een welverdiende stick
Heb ik in ’t Cederpark ‘de Dood’ ontmoet
(Een bijnaam, door die starre kille blik)

‘Waarom’, zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt
En steekt zijn zakmes in een baaltje coke
‘Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht bedreigd?’
Hij snuift, niet in het minste van de kook

Glimlachend antwoordt hij: ‘Geen dreiging was ‘t
Maar een gebaar, een ietwat onbeheerd
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast
Want zag mijn hele handel knap versjteerd

Toen ik ’s morgens vroeg hier stil nog aan het werk zag staan
Die nog geen gram der drugs had ingepakt
Die ‘k ’s avonds halen moest in Ispahaan
Dus ik verbreek hierbij het koopcontract’

Bij een reis rond de wereld moet je weer uitkomen bij het begin bedacht ik te laat.
Dit is dus deel 3. Deel 3? Jawel, want het is een vervolg op de uncoupled couplets en je kunt bij 80 vormen moeilijk met nummer 81 aankomen. Dat er twee delen drie zijn is dus volkomen logisch. En dan ook maar deel 30, waar strikt genomen nog een gaatje zit vanwege die Keltische vormen.
Die uncoupled couplets vonden ze in de US of A heel wat, al lijkt het me niet de moeite waard er een Nederlandse naam aan te geven, ben ik met Frans Woortmeijer eens; het is meer een gimmick dan een vorm. Ook Drs. P, die er toch driftig mee bezig is geweest, heeft het onbenoemd gelaten.
Maar er zijn inmiddels variaties op ontstaan, waarvan een de moeite waard is.
Interlinieverzen kun je die noemen, tussenderegelverzen.
Er  is de Hyppalago, waarbij tusen de regels van een bestaand vers zinnen geplaatst worden, bestaand uit woorden uit die zin. Het moeten twee aparte gedichten zijn die zo een derde opleveren:

On a gross day, in a green month
On a green month, in a gross day
Etc. 

Dit meestal met moderne poëzie en met de brille van de Paradelle, dus laat maar.
Dan is er de Spaanse  Pregunta: een dichter schrijft een zin met een vraag en een andere dichter antwoord in de volgende regel en dit om en om. De Dubbele Pregunta is leuker en  lijkt op de uncoupled couplets: een dichter schrijft een serieus vers, bestaande uit vragen en tussen de regels antwoord een andere, eveneens met, maar dan humoristisch bedoelde,vragen:

What is it a woman lacks?
What is it that she attacks?
What is it a woman loves?
When is it she wears no gloves?
What is it for which she begs?
What is it that has no legs?
(…)

Why does she not have her say?
She must heed her DNA

Maar echt een aantrekkelijke uitdaging is het niet, dus bedacht ik de Dubbelganger, waarbij een bestaand gedicht tussen de regels aangevuld wordt met regels die het tot een totaal nieuw verhaal maken. Het voorbeeld lijkt me voorbeeldig genoeg. Het rijmschema en metrum zijn afhankelijk van het voorbeeld. Gaat uw gang.

 

 

Mijn moeder bracht me net een kopje thee
Ze had er een biskwietje bijgedaan
Ik was verrast

Op zondag in de chambre séparée
Jawel: maar waarom werd ik nu spontaan
Hierop vergast?

De orde van de dingen was verstoord
Dat maakte mijn op rust gestelde brein
Wat van de wijs

Maar mijn protest werd in de kiem gesmoord:
‘Het is een feestdag en tractaties zijn
Hierbij een eis’

‘Wat is er feestelijk aan deze dag?’
Vroeg ik, na een langdurig diep gepeins
Mijn lieve moe

‘Hier is een hint’, zo riep ze met een lach
En kneep toen met een vreemde scheve grijns
Haar ogen toe

Met vlakke hand sloeg ik mij voor mijn kop
Want deze hint begreep ik dus terstond
En zei: ‘Ach, ja’

Ik at dus mijn biskwie met graagte op
En sprak, al had ik wel een droge mond:
‘Hiep hiep hoera’


Tachtig. Mooi. Klaar.
Goed, ik heb wat gesmokkeld met die Keltische poëzie, maar ik ben er ook wel doorheen.
De Thaise dichtkunst is er nog, ongelooflijk rijk aan vormen, maar niet voor ons geschikt, evenals de Arabische en China is helemaal niks door die karakters, dus ik eindig met deze vorm, waarvan ik geen flauw idee heb wat het is.
Toen ik begon met verzamelen van versvormen maakte ik er meteen een aantal en deze vond ik gisteren tot mijn verrassing bij het ordenen van de chaos die inmiddels was ontstaan in de stapel. Geen idee wat het is.
Ik moet bij aanvang danig onder de indruk van deze vorm zijn geweest en hij is ook nu nog aantrekkelijk. Hier zien we enjambement, op een natuurlijke manier opgenomen in het ritme. Ik herinner me vaag dat ik in mijn nopjes was met die hint in het zesde couplet en vergenoegd in mijn handen wreef en dacht ‘Benieuwd wie dit begrijpt’, maar moet helaas toegeven dat ik het zelf niet meer snap en of het iets met de naam van deze vorm te maken heeft.
De enige verklaring die ik kan bedenken is, dat ik bij het zoeken naar vormen onverwacht op Frans Woortmeijers site stuitte (stiet, stootte) en daar tot mijn verbittering allemaal vormen aantrof die ik zelf had willen gebruiken en noodgedwongen – ik wilde alleen onbekende vormen opnemen – me genoodzaakt zag een fiks aantal vormen te schrappen.
Vermoedelijk is dit er een van, dus wie van de hoed en de rand wil weten moet maar gaan spitten op die site; de link vind je op de voorpagina. Jullie zijn nu groot genoeg om zelf de kenmerken van deze vorm te ontdekken, dus veel plezier en maak er wat van. Ik ga iets lekkers eten.

 

 





Jong geleerd en oud gedaan
Kun je zoiets misverstaan?
Het is gecompliceerd
Eerst ging ik uit met Geert, maar toen
Zag ik de blik van Koen
En ging het met hém doen, maar Klaas
Bleek hem daarna de baas
Dat duurde kort helaas, maar Piet
Verlichtte mijn verdriet
Een ander hoef ik niet, ik blijf
Dus bij zijn heerlijk lijf
Al is hij ook al vijftien jaar
- Dat vindt men een bezwaar -
Als broer aan mij geparenteerd:
Niemand kan mijn Piet verslaan
Als volleerde lustkompaan

Sloof ik me daarvoor uit? Niemand die gemerkt heeft dat in het schema van de Luc Bat, die ik vorige keer uitlegde, een regel te veel stond.
Die Luc Bat kun je zo lang maken als je wilt en als je hem vooraf laat gaan en afsluit met een couplet met een enkel rijm en regels van zeven lettergrepen, heet hij een Song That Luc Bat.
Simpel omdat Luc Bat, zoals jullie nog weten, ‘zes-acht’ betekent en  Song That ‘dubbel-zeven’.
Er zijn voorschrifen over toonhoogte die in onze taal niet toepasbaar zijn, maar om het niet te simpel te maken schrijf ik dus onverbiddelijk voor dat de Luc Bat uit jamben en de Song That uit trocheeën moet bestaan, zoals in dit voorbeeld. Hier een schema, hoeven jullie niet terug te bladeren naar de Luc Bat:

_ _ _ _ _ _ a
_ _ _ _ _ _ a
_ _ _ _ _ b
_ _ _ _ _ b _ c
_ _ _ _ _ c
_ _ _ _ _ c _ d
_ _ _ _ _ d
_ _ _ _ _ d _ b
_ _ _ _ _ _ a
_ _ _ _ _ _ a

 

 

 

 





Ik hunker slechts naar dit:
Een bintje, aan een spit gespiesd
Met uien afgebiesd
‘Wie’, vraagt u honend, ‘kiest hiervoor?’
Zelfs bij dit kruisverhoor
Wordt stevig door mij doorgepit


Je bent er zo met het vliegtuig, Vietnam. En we kunnen de Reis niet afmaken zonder het Oosten, anders is de naam ‘rond de wereld’ niet waargemaakt, dus daar zijn we dan.
Dit wordt een makkie, dacht ik, want volgens John Hollander in zijn Rhyme’s Reason, a guide to English verse kennen ze hier een versvorm, de Luc-bát, met een schakelrijm, afwisselend in 6 en 8 lettergrepen (Luc-bát betekent simpel ‘zes-acht’) dat net zo lang mag worden als je wilt.
Hij geeft een voorbeeld dat wel wat wantrouwig stemt door de onlogica en inderdaad; even navragen (is die taalcursus toch niet voor niets geweest)  bij een Vietnamees met een bril op leert dat hij een belangrijk voorschrift vergeten is: elk rijm moet drie maal voorkomen, wat inhoudt dat de slotregel rijmt op een rijm dat in de eerste twee regels optreedt.
Dat komt omdat de regel luidt dat het eerste rijm optreedt aan het eind van de eerste achtlettergrepige zin, dan aan het eind van de daaropvolgende zeslettergrepige zin en daarna  in de zesde lettergreep van de daaropvolgende achtlettergrepige zin. En als ik lettergrepen zeg bedoel ik dus jamben of iets dergelijks. Mannelijk waarschijnlijk. Hier kun je mee doorgaan zolang je wilt en de slotregel krijgt dan het eerste rijm dat gevolgd wordt door de rijmen van de eerste twee regels (Weglopen heeft geen zin, de deuren zijn dicht).
Het is dus niet zo simpel als Hollander dacht en dat blijkt ook wel uit mijn voorbeeld, dat stukken beter kan. Doe je best. Hier nog een mooi schema:

_ _ _ _ _ c

_ _ _ _ _ c _ a

_ _ _ _ _ a

_ _ _ _ _ a _ b

_ _ _ _ _ b

_ _ _ _ _ b _ c

 

 

 

 

 


Een heerschap woonachtig in Megen
die liet zich daar op een dag wegen
De uitkomst heeft hij niet verzwegen:
hij woog vijfhonderd pond,
dus hij wees naar zijn mond
en daarna naar zijn kont:
'Ik besef welbewust en terdege:
dat heeft daaraan en daaraan  gelegen’.


(Een heerschap woonachtig in Megen
die liet zich daar op een dag wegen
Hij woog vijfhonderd pond
Dus hij wees naar zijn kont
en hij zei: ‘Dat heeft daaraan gelegen’.)


Een andere vaderlandse versvorm die ik hier aan de vergetelheid ontruk, is de limelimerick, in 1987 gelanceerd door Nico Scheepmaker in zijn rubriek Trijfel, die in verschillende regionale bladen verscheen, maar ondanks deze lancering nooit van de grond kwam.
Hij deed dit ter gelegenheid van de uitreiking van de Cestodaprijs aan Drs. P.
De Cestodaprijs, waaraan een geldbedrag was verbonden van € 24,34, was oorspronkelijk een practical joke van Eelke de Jong, K. Schippers en Theun de Winter die hem in 1974 aan Scheepmaker uitreikten als zijnde afkomstig van het Genootschap Onze Taal. Scheepmaker maakte er een officiële prijs van, met hemzelf als enig jurylid. Na zijn dood in 1990 is de prijs niet meer uitgereikt.
Hier een paar uitgebreide citaten uit de betreffende Trijfel, die om verschillende redenen nog niets aan actualiteit heeft ingeboet,  met de regels van dit vers:

"Tijdens de Tweede Ronde-avond in Paradiso in Amsterdam over vertaalde Latijnse poëzie, mocht ik Heinz Polzer, alias Drs. P zijn Cestodaprijs 1986 uitreiken ‘voor het moeiteloos beoefenen van de Nederlandse taal in al haar genres’.
Nu viel het, hem kennende, te verwachten dat hij zich niet met een Jantje van Leiden van deze plechtigheid zou afmaken. Een lofdicht op ‘Cestoda ’(wat potjeslatijn is voor ‘lintworm’) met alle bijkomende rijmwoorden, zat er dik in.
Daarom besloot ik van mijn kant ook een steentje aan het plezierdichten bij te dragen door een limerick voor deze gelegenheid te schrijven, die aldus uitpakte:

De korfbalster reed in haar Skoda
naar iedere wedstrijd van ROHDA
Het klinkt misschien mal
maar zij deed dit vooral
om te rijmen op Heinz z’n Cestoda


Een variatie op Morgensterns ‘Ein Wiesel’, die om der wille van het rijm ‘ínmitten Bachgeriesel’ op een ‘Kiesel’ ging zitten. Nu doe je Drs.P geen plezier met een limerick, want dat vindt hij op zijn best een misbruikte versvorm, zoals u in zijn beide handboeken Plezierdichten en Handboek voor plezierdichters kunt nalezen. Daarom besloot ik het niet bij deze limerick te laten en (in het voetspoor van Drs. P, die immers vele nieuwe versvormen in de Nederlandse poëzie geïntroduceerd en geëntameerd heeft) hem uit te breiden tot een nieuwe versvorm met duozit, die ik de ‘limelimerick’ noemde.
De verdubbeling van ‘lime’ geeft aan dat er iets aan de limerick wordt toegevoegd, en tegelijk zit er het Engelse lime=’ vogellijm’ in: je plakt er iets aan vast.


De limerick bestaat uit drie delen: regel een en twee, regel drie en vier, en de afsluitende regel vijf.
Aan  elk deel wordt nu bij wijze van duozit een regel extra vastgeplakt, maar zo, dat zowel ‘limerick 1’ en ‘limerick 2 ’elk afzonderlijk recht van bestaan hebben. Bovenstaande Cestoda-limerick pakte daardoor als ‘limelimerick’ als volgt uit:

Een korfbalster reed in haar Skoda
van wijlen minister Svoboda
naar iedere wedstrijd van RHODA
Het klinkt misschien mal
maar zij deed dit vooral
met veel knalpotgeknal
om zo simpel als zand, zeep en soda
te rijmen op Heinz z’n Cestoda  


Kleine veranderingen ter wille van het metrum of de logica zijn toegestaan, zoals u ziet. De limerick en zijn limelimerick horen dus bij elkaar, ook al kunnen zij zelfstandig door het leven gaan. Het aardige van deze opzet is, dat van alle miljoenen reeds bestaande limericks nu getracht kan worden hun duozit te maken.
Een van mijn eigen limericks uit een ver verleden luidt aldus:

Er ging in de Golf van Biscaye
een Panamees schip naar de haaien.
Slechts de mast, naar het schijnt,
bleef nog lang overeind
om het uitzicht op zee te verfraaien


Daar heb ik nu deze bijbehorende limelimerick van gemaakt:

Er ging in de Golf van Biscayet
toen het ophield met zachtjes te waaien,
een Panamees schip naar de haaien.
Slechts de mast, naar het schijnt
(heeft de bootsman geseind)
bleef nog lang overeind
om het, alles bijeen, toch wat saaie
uitzicht op zee te verfraaien. 


U weet nu hoe het gaat, dus ik zou zeggen: aan de slag! Mocht u niet tot dat soort plezierdichters behoren, maar meer tot het slag zondagsdichters dat voor z’n plezier al dan niet rijmende gedichten schrijft (het aantal Nederlanders dat dat doet neemt zienderogen toe, gezien het groeiende aantal clubjes van amateurdichters)  dan heeft het misschien zin u te attenderen op het jaarlijkse concours voor zondagsdichters.(…)
Blijft de vraag of Drs. P inderdaad in rijm voor de Cestodaprijs bedankte. Reken maar! In een achtentwintig-regelig vers, dus te lang om te citeren, gebruikte hij de volgende rijmwoorden op Cestoda: Svoboda, rhizopoda, trinoda, Fashoda, Jagoda, Baroda en coda. Baroda is een stad in India, Jagoda was hoofd van de Russische geheime politie NKVD, en coda is een aan een sonnet toegevoegde regel. De rest heb ik niet terug kunnen vinden, Drs. P overstijgt er zelfs Jaap Bakkers Nederlands Rijmwoordenboek mee!”

Nico Scheepmaker, Trijfel, GPD, 31 januari 1987

Waarom deze versvorm geen succes werd is voor mij geen raadsel.



 


 

 

 

 




De aandelenmakelaar tot zijn klant

Ik heb met ijzeren geduld
De kosten haarfijn voor je uitgerekend
Maar jij, slechts van hebzuchtigheid vervuld
Hebt blindelings papieren ondertekend:
Dat was je eigen schuld


'U bent al aardig aan de beterende hand’, zei de internist en ik sloeg me voor mijn kop.
Had ik mijn fysiek met veel ontberingen door Afrika gesleept, op zoek naar onbekende versvormen, was ik een voordehandliggende vaderlandse vorm helemaal vergeten!
Het ‘handje’, nergens vermeld, zelfs niet door fwoortmeyer en toch door Drs. P aangeprezen met de woorden: ‘Dit vind ik heel leuk. Het is balletdansen in een telefooncel’. Ook Jan Boerstoel liet zich prijzend uit, dus waarom kennen wij dit nog niet? Hier is sprake van een omissie. Eindelijk kan ik dat woord eens gebruiken.
De bedenker is Jan van der Pol (Eindhoven 1936) die een aantal publiceerde in  een bundel met de eveneens voordehandliggende titel Niks aan het handje (Eindhoven 2003).
De regels zijn eenvoudig: in het handje, een vijfvingerig vers,  richt een mens, dier, plant of ding zich tot iets of iemand (in het nawoord staat ‘tot de lezer’, maar dat blijkt niet uit de voorbeelden) in een monoloog.
De pink is vier jamben lang, de duim drie.
De drie centrale vingers zijn vijfjambig, maar de middelvinger is natuurlijk langer.
Ik  heb opzettelijk mannelijk rijm voor deze regel genomen om te tonen dat dat niet per se door vrouwelijk rijm tot stand hoeft te komen., het is een kwestie van inventiviteit.
Het rijmschema is simpel ababa




 

 

 


Intermezzo uit het Woordenboek der Engelsche spreektaal van de heer Barentz

 

RHYMING SLANG.

Behalve het Slang, dat in dit werk is opgenomen, bestaat er nog een rhyming slang, dat speciaal gesproken wordt door de verkoopers van straat-litteratuur en de handelaren in verschillende artikelen die op straat en markt de goegemeente in verbazing brengen door hun welbespraaktheid.
Het eenig opmerkelijke hieraan is dat het rijmwoord w e g g e l a t e n wordt, zoodat daisy roots wordt d a i s i e s, Christmas card wordt Christmas enz.
Wij laten hier een lijst van eenige dier woorden volgen, ofschoon wij moeten oprnerkzaam waken, dat niet alleen dit „rhyming slang" van zeer ephemeren aard is, maar bovendien in vele gevallen geheel afhankelijk is van den spreker en er dus geen enkele reden bestaat waarom b.v. het rhyming slang voor steak zijnde Ben flake niet door dezen of genen gewijzigd zou worden tot John cake of zoo iets dergelijks. Ik heb in onderstaand lijstje dan ook slechts eenige typische voorbeelden gegeven, waarvoor ik meende een goede autoriteit te hebben. Daar dit slang echter noch in de litteratuur voorkomt, noch in die klassen van de maatschappij waarin de gebruikers van dit woordenboek ooit zullen verkeeren, geloof ik dat niemand dit betreuren zal. Ten einde het rijm goed te doen uitkomen geef ik niet de vertaling, maar het woord waarvoor het rijmwoord in de plaats treedt. Deze woorden zijn alle zoo eenvoudig, dat degeen, die dit boek gebruikt, daar zeker wel geen bezwaar in zal zien.

Tenslotte wil ik hier nog wijzen op een nieuw soort van Slang door den uitgever „Centre Slang" genoemd en dat hierin bestaat, dat de middelste klinker beginletter wordt en voor de rest letters worden bijgevoegd naar willekeur. Wegens gebrek aan gegevens kan ik hiervan echter geen voorbeelden geven

 

 

Plofkipkwekers

Het had ze altijd al wel iets geleken
Want kippen geven veel meer vlees dan vinken
En dan het  luid toktokken van zes weken
Dat tot het einde opgewekt blijft klinken!


Vanaf mijn ziekbed in Lambarene kon ik de verpleegsters horen zingen die bij de rivier verbanden uitspoelden en ook voorbijvarende roeiers dompelden hun peddels onder ritmisch gezang in het water. Nee, met de poëzie zat het wel goed in Afrika, wijd verbreid, talloze culturen en orale traditie zorgden daar welvoor, echt niet alleen in het Swahili.
Maar versvormen, schriftelijke poëzie, dat was door de kolonisatoren beïnvloed; Arabieren, Fransen, Portugezen en Engelsen.
Omdat de koorts opliep werd ik via een noodtransport naar Nederland vervoerd en lag ijlend in het Hospitaal voor Tropische Ziekten in Leiden toen een verpleegster bezoek aankondigde van Bas Boekelo.
Ik was verrast, zeker toen hij binnenkwam, want hij zag er heel anders uit dan ik verwachtte.
Een zeker honderdjarige kale man met een wit sikje in een verouderd geruit kostuum met wijde kap en knapzak, betrad met schokkerige, onritmische bewegingen de zaal, maar met een daarmee contrasterende verende en soepele tred.
‘Zwavel op je pad!’ riep hij, ‘bij Zazel en Iod, wat zie jij er beroerd uit!’
Hij plaatste een bosje paddestoelen in een vaas en zette zich op de visitestoel.
'Terwijl jij je vermaakte in het buitenland’, zei hij, mij in de borst prikkend met een benige wijsvinger,’heb ik, arme oude man, een nieuwe versvorm ontwikkeld, die de Eeuwige Kringloop van het leven symboliseert: het kringloopvers.
De eerste en laatste regel komen uit een bekend gedicht, niet noodzakelijk hetzelfde en de tekst daartussen is aan de maker’.
Hij uitte een kakelende lach. ‘Ook de eenvoudigste ziel die zich hiermee bezig houdt wordt zo voor eeuwig gevangen in de vorm.’
Ik keek zwetend in de kille gele ogen, was dit bezoek een koortsdroom?
Hier hielp wellicht alleen een Afrikaanse magische tekst.
Het schoot mij tebinnen hoe in Zuidelijk Afrika een nieuwe lichting dichters zich los wilde maken van de Engelse vormen en een mengvorm zocht met de oude orale traditie en hoe kwetsbaar deze Magister in de Oude Kunsten was op het gebied van Ritme.
Ik begon een gedicht te citeren  uit van  een de weinige dichtbunels van vrouwen uit Zimbabwe,  Nyamubaya (met de bijnaam Freedom):

‘Poetry

One person said,
You are not a poet,
But forgot that
Poetry is art and –
Art is meaningful rhythm.

Now what is rhythm
If I may ask?
Some say it’s marching syllables,
Others say it’s marching sounds,
But tell me how to marry the two.

We fought Shakespeare on the battlefield
Blacks fought the Boers with their spears
These are matching syllables
And is art to some,
But how can I marry the two?

How about a different rhythm?
People die in the ghettoes,
From police raids and army shots
Workers suffocate under coal mines,
Digging the coal they can’t afford to buy
For cooking daily to feed themselves.
Poetic stuff this’

Ik keek op; mijn bezoek was verdwenen. Het raam stond open en alles wat ik zag was een zwarte kraai die krassend wegvloog. Koorts doet vreemde dingen met een mens.




Ik gaf een por, de ogen half geloken
En zei: ‘Hé trut! Wat zit jij uit te spoken?’
Ze sprak betraand, haar ogen rood ontstoken:
‘Ik ween om bloemen in de knop gebroken
En voor de ochtend van haar bloei vergaan’  

Wat een continent. 
In de gevangenis hoorde ik van een Kenyaanse homeopaat, die daar zat wegens ongeoorloofd uitoefenen van de geneeskunst (in sommige opzichten zijn ze hier duidelijk voor op ons) dat in zijn land een unieke versvorm bestond, de Muyaka stanza, genoemd naar de stanza’s in een beroemd gedicht, Itakapo kukutana  van de eveneens beroemde Kenyaanse dichter, Bwana Mukaya. 
Eenmaal weer buiten huurde ik meteen dragers, sloeg voorraden in en ging op pad. Na vier dagen het oude liedje: dragers muiten en er vandoor en ik met malaria door het oerwoud strompelen. Gered door een paar werkloze luipaardjagers, afgegeven bij een hospitaaltje in een dorpje met de naam Lambarene, geleid door een stokoude autoritaire Zwitserse arts die me kortaf vraagt waarom ik niet gewoon de bus gepakt heb. Als door een wonder ligt in het bed naast me een Kenyaan, die gevraagd naar de Muyaka stanza meteen opdreunt: 

‘Ai ngano na samli, viliwa vyema khiyari
Vitu viawavyo mbali, Renu na Baunagari
Apao mwende akari, mola humjazi kheri
Ai ziwa na sukari, itakapo kukutana’ 

Dat is $%^$#! hetzelfde als de utendi/tenz met zijn aaab! In het bed aan de andere kant ligt een boomlange Afro-Afrikaan die mijn interesse voor versvormen bemerkt en vraagt of ik de shairi ken, gebruikt bij de Gunda dans? Vier regels met rijm naar voorkeur van de dichter? Dat is gewoon een kwatrijn schamper ik. De takhmis dan? Uniek! Oude Swahili-vorm voor lyrische en verhalende gedichten? Mijn belangstelling is gewekt en bereidwillig legt hij uit: kwatrijnen met rijmschema aaab enz.
Bij mijn poging het bed uit te komen om hem te wurgen val ik verzwakt op de grond. Een verpleger met een rond brilletje en fez raapt me op en legt me weer in bed. ‘Dat is helemaal geen originele Swahilivorm’ zegt hij korzelig. ‘Dat is een zwak atreksel van de Arabische takhmis, ontstaan in de 18e eeuw: een vijfregelig vroom gedicht met rijmschema aaaab, de laatste regel bevat geen rijm en de laatste twee regels zijn afkomstig uit een eerder bekend gedicht’
Kijk, dat fleurt op.  Hij zegt nog iets van dat die Swahilitakhmis verschilt met de utendi/utenzi in het aantal lettergrepen en iets over metrum, maar daar trek ik me niets van aan, met het Arabische metrum kunnen wij toch niet uit de voeten. Dit is een vorm waar tenminste iets mee valt te beleven en het voorschrift wordt gewoon: quintet, aaaab, laatste twee regels een citaat uit een bekend gedicht.
En nu kinine.


Heden ga ik u verhalen
Uit de oude volksannalen
Die ik eerder duizend malen
Aan het volk heb voorgedragen

Kom gezellig samenklitten
Ga er maar eens goed voor zitten
Want van even lekker pitten
Komt het niet meer deze dagen

Om uw zinnen te verzetten
Volgen honderden coupletten
En wie toont niet op te letten
Krijgt geen stokslag, maar stokslagen:

1” Bisimillahi kutubu
  yina la Mola Wahhabu
  Arrahḥamani eribu
  na Arraḥimu ukyowa.

2 Ḥimidi ndakwe Dayyani
  Mukaafu Mwenye šani 
  na Muḥammadi Amini 
  jitahidi kusallia.

3 Kḥumuhimidi Jabbari
  ndilo jawabu hiari
  na kusallia Baširi
  ni jawabu afudaa. “

Enzovoort tot numero 1150


Even iets rechtzetten, want in Spanje zei ik dat de utendi/utenzi een versvorm is die eigenlijk gewoon een jezel is zonder  mudanza. Ga me nou #$%#@! niet vertellen dat je niet meer wat dat betekent want ik doe dit niet voor niks en in die rothitte ben ik buitengewoon kortaangebonden. Afijn, hier blijkt dus dat die informatie, die ik van een Engelse deskundige had, wel ongeveer klopt, maar utendi - of utenzi, dat is me nog steeds een raadse l- betekent gewoon epos.
De versbouw in Swahili kent 9 hoofdvormen en munt uit in uitgebalanceerdheid en het epos bestaat inderdaad uit vierstrofige aaab cccb dddb enz. rijmen.
Aangezien het belangrijkste epos De strijd van Mohammed tegen de christenen,  1150 strofen telt, vraag je je af of ze dan ook 1150 b-rijmen hebben, dat haalt Jaap Bakker's Rijmwoordenboek nooit.
Het oudste handschrift van dit epos stamt uit 1728 en het is in veel dialecten bekend.
Het ritme kent als enig voorschrift dat de voorlaatste lettergreep beklemtoond is, wat in het Nederlands vrouwelijk rijm veronderstelt. De dichter kan de lettergrepen (8) zo rangschikken als hij wil en zijn eigen ritme volgen. Dit alles vertelde mij de heer Knappert, die hier veldonderzoek doet. Leergierig vraag ik hem naar bijzonderheden over het Swahili.
Hij neemt een slokje van zijn kwast en legt uit dat in de woordstructuur van het Swahili  nooit twee beklemtoonde lettergrepen op elkaar volgen. Ook valt de klemtoon bij de woorden op de voorlaatste lettergreep, de penultima, legt hij bereidwillig uit.
Ik krijg het opeens nog warmer en vraag hoe dit te rijmen valt met die vrijheid en of zo niet automatisch trocheeën ontstaan. En hoe zit dat met die duizend rijmwoorden op de laatste regel?
Enthousiast zegt de geleerde dat door een aantal traditionele regels de dichter in staat gesteld wordt met een grotere variatie van rijmschema’s te werken, waardoor tevens meer afwisseling in de klanken wordt gebracht en een volmaakt evenwicht ontstaat tussen gelijkheid en variatie.
Niettemin heeft het hele epos de klankgreep  a aan het einde van iedere strofe, die lang aangehouden wordt en zo als rijm gehoord wordt.
Ik krijg het nu ontzettend warm en doe een poging dit te begrijpen, met helaas als resultaat dat een handgemeen ontstaat tussen mij en de geleerde, jullie horen nog van mij als ik de boete betaald heb en mijn vrijheid herkregen.

 

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Forum (recent...)

Uit het archief

Viva Las Vegas!



This is America!
Viva Las Vegas dus
Daar was een schietshow
All blessed by the Lord

Via mijn oogrijm en
Ironiseringslust
Wijs ik u graag op
Het dodenrecord!

Koop koop koop