Het vrije vers

Voor en door plezierdichters

Met Forum, Vorm én Vent





Derde dinsdag van september

Ik ween om bloemen in de knop gebroken
En voor de ochtend van haar bloei vergaan

Ik ween om bloedjes die op ongewroken
En hulpeloze arme bloempjes staan

Men roept wel dat m’n in de knop gedoken
Geknakte bloem, geen grond is voor een traan

En dat een nieuwe tijd is aangebroken
Waarin men mietjes zoals mij zal slaan

De woede van het volk is snel ontstoken
En voor de ochlocraat* breekt nu ruim baan

En net heeft onze Majesteit gesproken
(En droomde zuchtend van háár bloeitijd, aan

De tijd van warmte in haar kille knoken)
Ach, hoe dan ook zal het mij slecht vergaan 


*volksmenner



Ik vang de laatste tijd onderdrukt gemopper op, dat die Angelsaksiche versvormen niets voorstellen en veel te weinig een beroep doen op het ongelooflijk diepe denkvermogen van de hoogbegaafde Nederlandse plezierdichters. Om maar te zwijgen van de plezierdichteressen.
Hier dus maar een Britse breinbreker om de tanden op stuk te bijten; de pleiade.
De pleiade is bedacht door de Britse schrijfster en dichteres Vera Rich. De vorm ontleent zijn naam aan het zevengesternte in het sterrenbeeld Stier en bevat zeven coupletten.
De eerste twee regels worden in de volgende coupletten herhaald op de manier als in het voorbeeld, ze blijven dus op hun plaats. Elke regel is een jambische pentameter, dus de herhalingen hebben respectievelijk 4, 4, 2, 4, 4 en 2 lettergrepen.
Dat is alles.
Wie het zich minder moeilijk wil maken dan ik gedaan heb, zorgt ervoor dat de afbrekingen niet midden in een woord vallen, maar het leek me aardig, als extra handicap, uit te gaan van  bekende dichtregels in het openingscouplet. Dat maakt deze vorm een stuk spannender.
Het is dus geen voorschrift, maar de vorige vormen waren zo makkelijk dat ik een extra uitdaging wel wenselijk vond. 

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Forum (recent...)

Uit het archief

Filips de Schone & Johanna de Waanzinnige






Filips en Johanna van Castilië, Koning en koningin van Castilië 1504 – 1506 / 1555

Hij liep al tot zijn moeders ergernis
Van jongs af met een poetslap in zijn handen
En vroeg voortdurend: ‘Is die tafel fris’ ?
En: ‘Zeg eens of mijn troon wel proper is’

Men zegt wel dat hij ketters liet verbranden
En dat hij niet verschoond was als regent
Van oorlog voeren met diverse landen
Maar dit berust beslist op misverstanden

Want stiekem is bij iedereen bekend
Al staat het dan ook nergens opgeschreven
Dat hij zich slechts tot kuisen heeft gewend

Je zal ermee gezegend zijn, zo’n vent…
Het is dan ook geen wonderlijk gegeven
Dat hij zijn vrouw tot waanzin heeft gedreven

Koop koop koop