Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft



Het is de juffrouw in het trapportaal
Het zijn de motten in een oude jas
Het is de grijze trui en rode sjaal
Het is de droom die zo waanzinnig was

Het is het rijtuigie een dag in maart
Het is het hoorngeschal in berg en dal
Het is de ansichtkaart met kar en paard
Het is het bord spaghetti met een bal

Het is het clubje met de mandolien
Het is de vlo die in het circus sprong
Het is de bakkersdochter Josefien
En al de liedjes die ik voor haar zong

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Forum (recent...)

Uit het archief

Utrechts sonnet 4



Rondom mij hangt de geur van vreemde kruiden
Vol weemoed denk ik weer aan hoe het was: 
De wereld scheen vol lichtere geluiden
En een soldaat sliep op zijn overjas

De wereld scheen vol lichtere geluiden
De zon glom op mijn helm en mijn kuras
We trokken zingend naar het verre zuiden
Met dreunende en eensgezinde pas

We trokken zingend naar het verre zuiden
Ik peins nu, rillend in het natte gras:
‘De wereld scheen vol lichtere geluiden
En een soldaat sliep op zijn overjas’

Een kogel fluit, ik druk mij in de grond
Wie reist ziet veel, maar het is niet gezond



(‘De wereld scheen vol lichtere geluiden

En een soldaat sliep op zijn overjas’ uit:
De laatste brief, Bertus Aafjes)

Koop koop koop