Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft



Dichters, we lezen ze met droge ogen:
Een Vegter, Nolens, Benders, Oosterhoff.
Waar zijn de tijden van het hartebloed?
De zielepijn, de traan en dat soort werk.
Waar de gezangen van het mededogen?
Verweij, Van Deyssel, Gorter, Kloos of Perk?
De litanieën, waar? Voorbij. Voorgoed.
Een zakdoek vangt vandaag nog enkel stof.

Het bloed werd gruis. De tranen werden glas.
Verlies en stukgaan voelt nu tweedehands.
Het leed werd leed van bordkarton. Te koop.
Deels nog als dagboeksmart. Van droefenis
Kwam grimas , gil en wrede pijn. En masse
Verdoezelt men nu weemoed en gemis.
Per stuk, zoals je wil. Azijn werd stroop.
En Pfeijffer: Dichter nu des Vaderlands.

De dichter, heden, is een zonderling
Die weeklaagt in een martelend gekrijs.
Hij hangt de paljas uit voor zijn publiek
En speelt voor praktiserend psychiater.
Wat blijft: bezetenheid om één, één ding
Terwijl hij lamenteert in het theater.
De wonden die hij likt. En de muziek
Die klinkt bij het aanvaarden van een prijs.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Zonnegroet







het licht waarmee we onze dagen meten
komt onverschillig ’s ochtends aangespoeld
waar wulpse akkers liggen blootgewoeld
hun voren door de ploeg vaneengereten

wat kan de zon het schelen wat men voelt
of jij het lekker warm hebt of moet zweten
ze schijnt op dichters en analfabeten
geen straal waarmee iets naders wordt bedoeld

de gordel waar zij op woestijnen brandt
wordt door de aarde naar haar opgeheven
ook daaruit blijkt niets van gezond verstand

men spreekt zowaar over de bron van leven
al blakert zij de huid tot zwartkrokant
aanbiddend wordt wel vaker overdreven