Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft



Dichters, we lezen ze met droge ogen:
Een Vegter, Nolens, Benders, Oosterhoff.
Waar zijn de tijden van het hartebloed?
De zielepijn, de traan en dat soort werk.
Waar de gezangen van het mededogen?
Verweij, Van Deyssel, Gorter, Kloos of Perk?
De litanieën, waar? Voorbij. Voorgoed.
Een zakdoek vangt vandaag nog enkel stof.

Het bloed werd gruis. De tranen werden glas.
Verlies en stukgaan voelt nu tweedehands.
Het leed werd leed van bordkarton. Te koop.
Deels nog als dagboeksmart. Van droefenis
Kwam grimas , gil en wrede pijn. En masse
Verdoezelt men nu weemoed en gemis.
Per stuk, zoals je wil. Azijn werd stroop.
En Pfeijffer: Dichter nu des Vaderlands.

De dichter, heden, is een zonderling
Die weeklaagt in een martelend gekrijs.
Hij hangt de paljas uit voor zijn publiek
En speelt voor praktiserend psychiater.
Wat blijft: bezetenheid om één, één ding
Terwijl hij lamenteert in het theater.
De wonden die hij likt. En de muziek
Die klinkt bij het aanvaarden van een prijs.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Ornithologenpraat





Er is wat verwarring ontstaan over de zestienkleppengier. Het ontstaan van deze sympathieke aaseter werd in een gedicht onlangs abusievelijk toegeschreven aan Niels Blomberg, die zich haastte dit op het forum te ontkennen en de eer aan Peter Kniipmeijer gaf, die zich dit graag liet aanleunen. De waarheid is natuurlijk dat mijn verre voorvader Jacob Jacobszn van den Born dit dier al vermeldde in zijn in 1592 verschenen bundel met drankliederen Den suypenden Pluckvogel, zoals deze afbeelding bewijst. 

Bundels