Het vrije vers

Bevrijd van vormloosheid

Omdat light verse lééft



Hij merkt niet meer dat hij zich steeds vergist;
zijn zieke hersens zijn niet meer te spoelen.
Geen mens zal weten wat hij nog kan voelen,
hij huilt als hij weer in zijn luier pist.

Van binnen botst hij tegen vage mist,
van buiten tegen deuren, tafels, stoelen.
Hij snapt niet meer wat anderen bedoelen,
zit naast zijn levensweg als bermtoerist.

Twee jochies rennen dartel om hem heen,
behendig soepel, jong en snel ter been,
met stram en oud en dood nog onbekend.

‘Zeg jij mijn naam eens opa,’ zegt de een.
En als de oude stil blijft, klinkt meteen:
‘Wat ben jij dom! Ik weet wel wie jíj bent!’

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Sonnet 18



Moet ik u meten met een zomerdag?
Dan bent u milder, u houdt beter maat.
De meiwind brengt het tere groen van slag
en stralend zomerweer, het komt en gaat.

Soms brandt het hemels oog alsof het haat,
hoe vaak verduistert iets zijn gouden gloed!
En al wat groeit verschrompelt vroeg of laat,
nog ongesnoeid, alleen omdat het moet.

Uw eigen zomer blijft voor eeuwig mooi,
verliest geen bloei die aan uw wezen kleeft,
noch kan de Dood u claimen als zijn prooi,
omdat de tijd u tijd van leven geeft.

Zo lang er adem is of ogen zien,
zo lang leeft dit, en leeft u voort mitsdien.


Shall I compare thee to a summer's day?
Thou art more lovely and more temperate:
Rough winds do shake the darling buds of May,
And summer's lease hath all too short a date:

Sometime too hot the eye of heaven shines,
And often is his gold complexion dimm'd;
And every fair from fair sometime declines,
By chance, or nature's changing course, untrimm'd;

But thy eternal summer shall not fade
Nor lose possession of that fair thou ow'st;
Nor shall Death brag thou wander'st in his shade,
When in eternal lines to time thou grow'st;

So long as men can breathe or eyes can see,
So long lives this, and this gives life to thee