De Pruisische Staatsanwalt Waldemar Dyrenfurth (+ 1899), tijdgenoot van Alois Mückenspucker, bedacht in zijn studententijd een fictief personage, Bonifatius Kiesewetter, en bezong die in een aantal obscene gedichten in een strakke vorm, die tot op heden veel navolging vindt. Voornaamste karaktertrek van Bonifatius is dat hij geslachtsgemeenschap heeft met alles wat dierlijk, plantaardig, mineraal of chemisch vervaardigd is (al is het dikwijls een barones) en/of daar zijn behoefte in of op doet.

Het Leberreim, een eeuwenoud (de oudst bekende stamt uit de 16e eeuw) tweeregelig rijmpje dat populair was aan de stamtafel in de 17e en 18e eeuw en nog in de 19e eeuw geliefd in plattelandskringen. In oude verzamelbundels zijn ze nog terug te vinden.
Het Leberreim begint traditioneel met de regel "Die Leber stammt von (ist) von einem Hecht und nicht von" waarna een andere diernaam volgt en de tweede regel met de clou, frappe of moraal. 

Deze bijdrage van onze Teutoonse buren aan het light verse is van een on-Duitse bescheidenheid en bestaat uit vier jambische regels van 9, 4, 3, en 2 lettergrepen, waarbij één rijmwoord twee maal voorkomt met verschillende betekenissen en niet meteen herkenbaar, bijv. "ünterjochen - unter Jochen". Hoofdletters en interpuncties zijn verboden en een titel is verplicht die het gedicht becommentarieert of extra inhoud geeft.

In Nederlands schrijven wij met moeite eens af en toe een ruilrijm, terwijl het bij de voormalige bezetter een ware volkssport is om Schüttelreimen te schrijven. Nu schijnt het ruilrijm, Nederlands voor Schüttelreim ook daadwerkelijk uit het Duitstalig taalgebied afkomstig te zijn en dat verklaart misschien de grote populariteit. De afgelopen jaren verschenen er bundels, theorieboeken en cd-roms vol met geschuttelreim. Er zijn zelfs dichters die zich in het genre gespecialiseerd hebben en hier vind je uitzonderlijk veel voorbeelden.

 

Notaris Friedrich Daniel uit Göttingen, een ernstig man met poëtische bevliegingen, stuurde dit serieus bedoelde gedicht naar het tijdschrift Fliegende Blätter in de hoop op plaatsing:

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Forum (recent...)

Uit het archief

Waar? (2017)



Dichters, we lezen ze met droge ogen:
Een Vegter, Nolens, Benders, Oosterhoff.
Waar zijn de tijden van het hartebloed?
De zielepijn, de traan en dat soort werk.
Waar de gezangen van het mededogen?
Verweij, Van Deyssel, Gorter, Kloos of Perk?
De litanieën, waar? Voorbij. Voorgoed.
Een zakdoek vangt vandaag nog enkel stof.

Het bloed werd gruis. De tranen werden glas.
Verlies en stukgaan voelt nu tweedehands.
Het leed werd leed van bordkarton. Te koop.
Deels nog als dagboeksmart. Van droefenis
Kwam grimas , gil en wrede pijn. En masse
Verdoezelt men nu weemoed en gemis.
Per stuk, zoals je wil. Azijn werd stroop.
En Pfeijffer: Dichter nu des Vaderlands.

De dichter, heden, is een zonderling
Die weeklaagt in een martelend gekrijs.
Hij hangt de paljas uit voor zijn publiek
En speelt voor praktiserend psychiater.
Wat blijft: bezetenheid om één, één ding
Terwijl hij lamenteert in het theater.
De wonden die hij likt. En de muziek
Die klinkt bij het aanvaarden van een prijs.

Koop koop koop