Het vrije vers

Voor en door plezierdichters

Omdat light verse lééft

Ik bad er dikwijls om maar werd nooit bader –
een kinderklomp is zomaar nog geen schoener –
ik was des duivels maar toch zelden Moener
dan hij die droogte treft als ware wader.

Bij welke daden noemt men mij een doener?
Wat deed ik ooit om door te gaan als dader?
Dè daad, roept u, maar nee, aan mij geen vader
wat dat betreft ben ik toch meer een zoener.

En bij het water zat ik aan het kader
maar trof het slecht, mijn maat was een lauwloener
en lachte als een echte ha-ha-hader.

Toch werd de prille lente stilaan groener
en vloeide mij de Eden door de ader:
ik waande mij Jan Pieterszoon, maar koener.

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Forum (recent...)

Uit het archief

Hapt zo heerlijk weg





De Nieuwe Kerk werd even angstig stil,
Omdat het de aanwezigen verraste,
Dat zij die ene feestdag niet verkaste,
Maar vasthield aan de dertigste april.

Ik vind, hoewel het nog wel bij zal trekken,
Die ‘Koningsdag’ veel minder lekker bekken.

Koop koop koop