De wereld toont vooral bij zon haar prachten, maar onlangs ging het na een tijd mooi weer qua regen plots onstuimig hard tekeer, dus keek ik wat experts nadien verwachtten.
Het checken van de weerapp werd een flop. Die stak gewoon een middelvinger op.
Mijn Loes gaat uit haar dak bij elke sprint Hoezeer ik zwoeg en zweet op de pedalen Het lukt gewoonweg niet haar in te halen En zij maar juichen telkens als ze wint
De keuze wie voorop mocht was at random Toch baal ik hier enorm op onze tandem
Het ongedierte heeft zich in de Kamer Als volksvertegenwoordiger vermomd Sist zacht over omvolken en het gromt Het maakt debatten steeds onaangenamer
Met dreiging en misleiding als tactiek Verpakt als recht je mening vrij te uiten Gaat het zich ruim en ongeremd te buiten Aan oude xenofobe retoriek
Het provoceert en sart en tart de regels Net als gebroed dat je van vróeger kende Gedijt het slechts bij chaos en ellende Maar kruipt bij daglicht weg onder de tegels
Met hoofd en hart moet je ze wéér bestrijden Om niet naar boze tijden af te glijden
Gezeur over shaslicks met roetzwarte vegen Een biefstuk die smaakt naar een droge lap leer Gehoon over hoe ik weer kippen cremeer Of worst die te lang op de grill heeft gelegen
Kritiek op mijn braadkunst, daar kan ik wel tegen Zo gaat dat helaas bij ons iedere keer Ik hoop op een zomer lang barbecueweer Mijn vrouw en mijn kinderen bidden om regen
De fraaie landstreek Groene Wei bestaat naast wei uit bos en hei Het was hier altijd wondermooi maar nu is het een pokkenzooi Ik vraag me af wat dit beduidt en zoek het tot de bodem uit
Het luie varken knort verstoord: “Wat moeit een mens zich met ons oord? Mijn leute is het modderbad en als ik zin heb, neem ik dat En vies? Wat dacht je van het bos! Man, ga eens kijken bij die vos”
De sloddervos kruipt uit zijn hol, het ligt er domweg barstensvol: een kippenlijk, een hazenvel, hij is bepaald geen rolmodel “Mijn zicht”, stelt hij, “speelt hier een rol denkt ook mijn goede vriend de mol”
De blinde mol kruipt naderbij en blijkt ook niet van smetten vrij Zijn gangenstelsel ruikt zo vies naar kots en poep en mollenpies “Het vuil”, klaagt hij, “ligt tot de nok Och hielp hij maar, mijn buur de bok”
Reeds blaat de zondebok spontaan: “Ik heb het zeker weer gedaan? Van alles hier krijg ik de schuld maar nou verlies ik mijn geduld! Dus scheer je weg, verklede aap, probeer je fratsen op dat schaap”
Het zwarte schaap is zeer gestrest en blèrt: “Men mijdt mij als de pest maar eist wel dat ik alles kuis Ach wie verdient nou zo’n zwaar kruis?!” Het arme beest lijkt levensmoe dus vraag ik het maar aan de koe
De stomme koe heeft geen repliek (zij houdt niet zo van retoriek) Zij graast en kauwt de hele tijd terwijl zij alles onderschijt Maar net voordat zij verder beent verlegt haar blik zich naar de eend
De vreemde eend kwaakt: “Niets van aan! Ik kom hier zelfs niet eens vandaan Die troep is niet mijn pakkie-an, al vind ik er dus wél iets van Wij zeggen thuis in Eendenhoek: “Voor elk probleem een onderzoek”
“Zo’n onderzoek is gekkigheid maar ach, zo win je weer wat tijd En als men klaagt, zij opgemerkt: “Er wordt echt héél hard aan gewerkt.” Zo houden alle beesten hoop al blijft de zaak op zijn beloop”
De eend weet veel van politiek Zij kwekt en snatert energiek en is daarbij zo welbekwaakt dat men haar tot hun krooneend maakt En alle beesten zijn nu blij daar op het landgoed Groene Wei
Dat geldt dus voor de arme luis de stoeipoes en de pielemuis Voor koele kikker, rijwielpad de wurm die al die boeken vrat de beunhaas en het kuddedier het feestbeest en de kwaaie pier…
… de dolle stier, de kale kip het proefkonijn met hazenlip het raspaard en de bange wezel en zelfs de o zo domme ezel Het werd beaamd door ieder dier: “Meneer, het is geweldig hier!”
Het is nog lang niet proper daar - dat onderzoek is nog niet klaar - maar ach, wat maakt een mens zich druk, de dieren stralen van geluk Wat gaat mij ook hun rotzooi aan? Ik moest maar eens op huis aan gaan
Ze sliep, ik trok wat aan en greep mijn jas Al fietsend dacht ik even om te keren Maar nee, ik kon dat beeld maar niet negeren Van hoe jij op mij wachtte achter glas
De route wist ik met mijn ogen dicht Langs coffeeshops en Engelse toeristen Die straalbezopen in een steegje pisten Omgeven door het rode neonlicht
Ik had precies genoeg contant op zak Al hijgend ging ik alsmaar sneller lopen Ik voelde het verlangen in mijn lijf
De keuze maken lukte met gemak Een wereld van genot ging voor mij open Wat heb ik jou gemist, mijn bamischijf
Je mist die zomerzotheid in je glas De smaak van eindeloze lome dagen Van déjeuners sur l'herbe aan een plas Een levenslichtheid nauw'lijks te verdragen
Je proeft niet meer dat zorgeloos plezier Dat zonnige, dat speelse en dat pure De frisheid van een bruisende rivier De avonturen in de avonduren
Waar zijn die gulle geuren van daarginder? Vakantiewijn smaakt thuis toch stukken minder
Zijn mooiste kenmerk was dat doelbewuste, hij was volledig op zijn kunst gericht. Pas ’s avonds laat liet hij zijn beitel rusten, dan gutste hij het zweet van zijn gezicht.
een oude man bestelt in de boetiek ik heb zijn diepe groeven net bekeken doorrookte stem en magere fysiek hij vraagt of hij er eentje op mag steken
zijn grijze vrouw bekijkt haar telefoon ik heb haar gele vingers waargenomen ze noemt het aantal sloffen per persoon de orders die nog altijd blijven komen
hun grote tassen vol goedkope shag waarmee ze weer naar Spijkenisse keren ik luister naar hun hoesterig gesprek waarna ze mij hun prietpraat gaan serveren
als Nederlanders praat je met elkaar ze bleken amper vijfendertig jaar
Marijke zei: ‘Je moet het leven vieren. Al woon je in een saai appartement, geniet alsof je op vakantie bent door heel je huis met slingers te versieren.’
Voor haar was de kantoortuin ook te grauw, een saai en onaantrekkelijk gebeuren, dus is ze hier de boel wat op gaan fleuren: het lijkt wel een resort in ons gebouw.
Vandaar dat ik het toch eens ga proberen: een flexplek met een handdoek reserveren.