Voor mij geen vis- of oliebollenkramen, ik koop bij Dirk een oudewijvenkoek, daar is ook groene kool in de reclame, voor witbrood breng ik Jumbo een bezoek.
Voor tweedehands hoeft niemand zich te schamen, wie draagt er nooit een vale spijkerbroek? Maar als ik wandel met Marieke samen, ben ik degene met een kringlooplook.
Voor samenwonen ben ik een obstakel, hoe knopen wij de eindjes aan elkaar? Zij zegt: ‘Het wordt een financieel debacle.’
Ik zeg: ‘Ik zie geen principieel bezwaar.’
Ze roept me onbarmhartig tot de orde: ‘Je had geen fulltime dichter moeten worden.’
Een jak bezwoer laatst in Buthan Ik zal nooit op safari gaan! Mijn neef vertelde het niet na Zijn reis naar donker Afrika Hij overleed nadat daar wreed Een jakhals in zijn jakhals beet
Ik hoorde plots haar kreet van moord en brand Op blote voeten vloog ik naar beneden En sprong behendig over zeven treden Ze krijste door, wat was er aan de hand?
Ik gaf de kamerdeur een flinke zwier En zag haar kermend naar de tafel hinken Welk euvel kon mijn meisje zo verminken? Al rennend riep ik ‘Liefje, ik ben hier!’
Ik hoorde haar ‘Stop, nee, schat!’ niet op tijd Ook ik kon toen mijn tranen niet bedwingen Mijn hoofd werd rood, ik riep de wreedste dingen Van al die woorden kreeg ik later spijt
Daar lag die Deense hufter op de grond Dat legoblokje had ook mij verwond
Anita had rebelse chromosomen, ze was onaangepast en impulsief, tot een slow-downcoach haar wist in te tomen, nu kijkt ze alle katten uit de bomen en telt ze eerst tot twintig, preventief.
Jacobus was een katholieke vrome, Fleur haatte hem, maar uitte gram noch grief, ze leefde jaren samen met die slome, tot zij een kuscoach tegenkwam in Rome, hij begeleidde haar en werd haar lief.
Ans maakte tuinkabouters, grijze gnomen, een kunst- en kitschcoach stuurde haar een brief: ‘Je moest die hele meuk maar eens verchromen!’ Museumorders kwamen binnenstromen, ze werd beroemd van hier tot Tel Aviv.
Kunt u alleen van schone dichtkunst dromen? Bent u in rijm en metrum te naïef? Dan vraag ik u bij dezen niet te schromen, eerdaags bij mij als dichtcoach langs te komen, ik reken een vriendschappelijk tarief.
Dwalen door kamers, gangen en portalen, De wezens vinden die men is geweest, Schooljongen, ambtenaar, vrek, dief, bruut, beest, Engel, dwaas, nietsnut, halfgod. Duizend malen
In andere gestalten leeft de geest. Hier drinkt mijn drinkebroer uit zijn bokalen, Daar mint mijn minnaar; door de kamers dwalen, Maar door die eene kamer toch het meest.
Is het al lente? Tuindeuren staan open, In 't raamkozijn passer en gradenboog. Scheef staat de stoel. Is het net weggelopen? Ik zoek, en in de hoekkast zit het dan, En spotlacht met een onderzoekend oog. Kiekeboe, zegt het kind tegen den man.
Han G. Hoekstra (Den Haag, 4 september 1906 - Amsterdam, 15 april 1988)
Dit is het titelgedicht van de bundel Panopticum uit 1946
Hoe ruist en suist het grote carrousel, Dat schittert in de zon; en met plezier Zien duizenden die middag het vertier. Kamelen, paarden, alles draait er snel,
De witte zwanen en de olifanten, En als een levend varken knort er een En heft uit blijdschap al zijn rechterbeen. Dan gaan ze dansen, al die kermisklanten.
Maar vlak daarnaast, in hemellicht gebaad, Gaan metselaars hoog in de stelling rond, Als luizen in een vurig vakverbond, En slaan met troffels roffelend de maat.
De redactie feliciteert Hendrikje de Koning met haar eerste prijs in de wedstrijd "Nederland Vertaalt". Hieronder het te vertalen gedicht:
Fröhlichkeit Georg Heym (1887-1912)
Es rauscht und saust von manchem Karusselle, Wie Sonnen flammend in den Nachmittagen, Und tausend Leute schauen mit Behagen Wie sich Kamele drehn, und Rosse, schnelle;
Die starren Schwäne und die Elefanzen; Der eine hebt vor Freude schon das Bein Und grunzt im hohlen Bauche wie ein Schwein. Und alle Tiere fangen an zu tanzen.
Doch nebenan im Himmelslicht, dem hellen, Gehen die Maurer, schwarz wie Läuse klein, Hoch im Gerüst, ein feuriger Verein, Und schlagen Takt mit ihren Maurerkellen.
een zatte spons uit Bedburg-Hau zei lallend dat hij stoppen zou hij zoog zich echter toch weer vol met elke vorm van alcohol hij hoefde niemands wijze raad het beestje had geen ruggengraat
Van de hand van Christiaan Abbing verscheen onlangs zijn eerste
eigen dichtbundel: ‘Blauwig licht en vrolijker verzen’.
Een bundel met bijna 100 pagina's light verse: sonnetten, sonnettines, sonnettettes en nog heel veel andere verzen.
Een deel van deze verzen waren al eerder te lezen op Het vrije vers of op de eigen website van Christiaan, maar het titelgedicht 'Blauwig licht' is exclusief voor deze bundel: een sonnettenkrans in vijftien verschillende sonnetvormen over onze moeizame verhouding tot de digitale wereld van smartphones, smartwatches, algoritmes, big data, big tech, enzovoort.
Een voorproefje uit de bundel:
KUNSTWERK
Ik wandel kalmpjes door een galerij
Waar hobbykunstenaars zijn neergestreken
Ik slof van beeldhouwwerk naar schilderij
Totdat ik alle stukken heb bekeken
Tot plotseling mijn ogen blijven steken
Bij één paneel, een beetje buiten het bereik
Een levensgroot portret dat lijkt te spreken
Dit werk geeft van een echte meester blijk
En toch, hoe langer ik de plaat bekijk
Hoe meer ik dit portret vind tegenvallen
Want kijk: die oren zijn echt ongelijk
Wat kan zo'n wipneus een gezicht verknallen!
Nu hoor ik achter mij een zacht gegiechel:
Ik staar al vijf minuten in een spiegel
Blauwig licht en vrolijker verzen is te koop voor € 17,49
en verkrijgbaar via Brave New Books of in de betere boekhandel.
Een vlinder die in Montparnasse verstrooid een verzenbundel las werd door vervlogen eeuwen heen bedwelmd met bitterzoete spleen en meldde, met betraand gelaat: 'ik vind die bloemen lang niet kwaad.'
Publiek domein - Wikipedia Commons
Op 9 april vieren we de 205e verjaardag van Charles Baudelaire
We vierden ons geluk met volle teugen En waren wekenlang het klefste stel ja Daar op die liefdescamping bij Marbella Die zomer staat gegrift in mijn geheugen
Dat onze vlam zou doven leek een leugen We barstten haast van liefde uit ons vel ja En smulden van elkaar en van paella Jouw geur waait soms nog langs in zwoele vleugen
Jouw haar kastanjebruin... of was het blond? Dat sproetje op je neus... of naast je mond? Jouw tengere figuur... of was je rond?
Dus als je dit ooit leest dan moet je weten Mijn liefste Loes, ik zal jou nooit vergeten Of Thea, Wendy, hoe je dan ook heette
Ze koert als ik met zacht geroekoekoe Speciaal voor haar, mijn lievelingsduivin De intro van mijn melkerslied begin Een beatleswaardig klinkend I love you
Een vingerhoed hooguit, ik geef het toe Meer kostbaar vocht zit er per keer niet in Dat maakt niet uit, ik melk niet om gewin Het is de zang waarvoor ik dit graag doe
Haar doffer trippelt druk om zijn vriendin Lijkt haar kokette overgave moe Hij wil natuurlijk van me af, maar hoe
En waar hij mij ook pikt, het heeft geen zin
Het hok grijpt in, vormt een gesloten front Verjaagt me met een lading weke stront
Het Bredevoortse brood is niet pikant Van kaas uit Aalten zal uw mond niet fikken In Vorden kunt u best een vorkje prikken Ook zonder melk of yoghurt bij de hand
U zweet niet van een Borculose biet Zo pittig is dat oosters eten niet
In Eeklo2 zocht een eekhoorn3 vaak in boeken4 lezen zijn vermaak5 al beet hij op een oude6 druk7 van Dante8 wel zijn tanden9 stuk. Hij noemt dat werk10 een helse rit11 waar menig noot12 te veel in zit.
Dit gedicht is een zogenaamd Trijntje Fop, een versvorm die in het Nederlandse taalgebied werd gebruikt in de twintigste en eenentwintigste eeuw. Het werd bedacht door de Nederlandse dichter Kees Stip, is luchtig van inhoud en bevat een dier als hoofdpersonage. Het bestaat uit een even aantal (meestal zes) paarsgewijs rijmende versregels in jambische viervoeters. De titel is meestal geformuleerd als “Op een” gevolgd door het dier dat de hoofdrol speelt, in dit geval een eekhoorn (zie noot 3). Vaak komen er allerlei woordspelingen in voor.
Stad in de provincie Oost-Vlaanderen, België, met ongeveer 22 000 inwoners.
Soort knaagdier dat voorkomt in Europa.
In gedrukte vorm verschenen tekst, al dan niet met illustraties, op papier of een andere materiële drager, bestaande uit op een of andere manier aan elkaar gebonden bladzijden.
Plezier.
Niet meer jong of recent.
Editie van een boek (zie noot 4)
Dante Alighieri, Italiaans dichter die leefde in de late 13e en vroege 14e eeuw. Zijn hoofdwerk, dat tegenwoordig bekend staat onder de naam La Divina Commedia (De Goddelijke Komedie) is een veel geprezen allegorie over het hiernamaals (hel, vagevuur en hemel), geschreven in terza rima. Door de vele verwijzingen naar christelijke en mythologische personages en naar eigentijdse Florentijnse politiek, is het werk voor een hedendaagse lezer moeilijk om volgen zonder een veelheid van noten met duiding.
Soort mondwerktuigen die voorkomen bij veel gewervelde dieren, die helpen bij de spijsvertering en bij sommige dieren ook bij het doden van prooien.
Hier te begrijpen als boek, met name het boek van Dante waarnaar verwezen wordt in regel drie.
Verplaatsing van de ene plaats naar een andere met behulp van een of ander vervoermiddel. Hier metaforisch te interpreteren.
Verduidelijking of aanvulling die aan een bestaande tekst wordt toegevoegd, doorgaans als onderschrift onderaan de pagina of in een bijlage op het einde van het boek.
Het leger blijft met arbeidsplaatsen leuren, hun boodschap: ‘Niet geschoten, kans gemist, de krijgsmacht opent carrièredeuren, het is een keus die niemand zal betreuren, word marinier, soldaat of reservist!
Een oorlog? Dat kan zomaar eens gebeuren, wie Rusland ziet als vriend heeft zich vergist. Dus meld je heden aan en laat je keuren, ook vrouwvolk, om de boel wat op te fleuren, zo weet je dat je geen talent verkwist.’
Slechts bij mijzelf valt geestdrift te bespeuren, de haalbaarheid wordt in ons dorp betwist: een ieder heeft wel iets te excuzeuren, Michiel en Lodewijk zijn blind voor kleuren, Pepijn is deeltijdexhibitionist.
Jos kan uit mitrailleurs geen vreugde peuren als vrome vredesfundamentalist, Loes is allergisch voor kazernemeuren, ze walgt van mannelijke lichaamsgeuren, Joop mag niet gaan, dat heeft zijn vrouw beslist.
Johannes is zijn bed pas uit te sleuren, als er kroketten worden opgedist, Marjan (met smetvrees) laat zich niet besmeuren, zij valt alleen op schoonmaakdirecteuren, Jacobus drinkt de hele dag trappist.
Mijn Anna loopt constant te sikkeneuren, ze heeft mijn formulieren weggegrist en staat ze nu omstandig te verscheuren: ‘Het leger hoeft geen cynische sinjeuren, jij bent een irritante humorist.’
Als verzenbrouwer ben ik wat aan lagerwal geraakt Hoewel ik slechts kan dichten over alcoholisch spul Verwateren mijn grappen tot gehalte nulpuntnul Mijn laatste snelsonnetjes heb ik met AI gemaakt
Zolang ik nog kan zuipen, blijf ik zeker op mijn best Dan heb ik immers al mijn lezers, én mijzelf geflest
De goden in Maleisie zijn kwaad Je kunt daar als toerist wel naakt poseren En op een berg die mensen daar vereren Maar dan gaat Moeder Aarde uit haar plaat
In Groningen kan men hier wat van leren; Voorlopig even niemand uit de kleren.