Piet Bakker ging op vrijdagavond vast
ter lessing naar ’t café van Opoe Bekker.
De jonge klare was er koel en lekker
en nooit stond er een glas leeg op de kast.

Zo rond de klok van elven, vaste prik
stond Piet vanwege wat hij had genoten
meestal een beetje wankel op de poten
en in zijn stem klonk nu en dan een hik;
dat was zijn tijd om op de fiets te stappen.

Maar op een keertje zat het hem niet mee
en reed hij in de sloot voor het café
in plaats van op het asfalt door te trappen.

Piet kwam vol kroos en prut het water uit
met op zijn kop een levensgrote puit.


Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Utrechts sonnet 3



Het najaar valt en wolken drommen samen
De vogels trekken naar het zuiden toe
Ik weet nog dat ze in de lente kwamen
En hoe de tijd vervloog, het maakt me moe

Ik weet nog dat ze in de lente kwamen
Vanuit het niets, ineens, geen mens wist hoe
Ze floten en ze krasten onze namen
En riepen op tot moord en amour fou

Ze floten en ze krasten onze namen
Het werd een drama en een hoop gedoe
Ik weet nog dat ze in de lente kwamen
En hoe de tijd vervloog, het maakt me moe

Gelukkig is er kaas en rode port
Ik eet en drink en zie wel wat het wordt.