BONO, YOKO & JOHN


Bono botst op Yoko’s lof voor John. Hoor:
“’Rock ’n Roll’ kotst trots”, schoolt Bono. ’Zocht
Bono’, vorst Yoko, ‘John voor rot…?!’ ”Proost!” Bocht
stroomt. Bono's toost port op tot door-

dronk. Toch, vlot schopt Yoko ’t rotjoch.
Bono’s woord stopt. Yoko’s toorn noodt
nor-tocht: voor ’n poos, Yoko bromt. Dood,
Bono noopt tot doloroso slot. Och,

Yoko’s pols, broos, nog poogt los…nop.
Stroopmoord op Bono…dom. Onttroond,
Yoko rot. Mocht boktor noch worm, doch loont
zo’n doodswond door goor vocht, brood; strop.

Yoko, dol, hoort Bono nog: “Johns doorwrocht solo
rondo loopt, grosso modo, krom! Ho! No! YOLO!”


Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

De Pruimenboom (Utrechts sonnet 14)


Jantje zag eens pruimen hangen,
o! als eieren zo groot.
Hevig was zijn pruimverlangen,
schoon zijn vader 't hem verbood.

Hevig was zijn pruimverlangen.
Diepe somberheid ontsproot.
Aaltje met de rode wangen
zag hem zitten in de goot.

Aaltje met de rode wangen
werd zijn redder in de nood.
Hevig was zijn pruimverlangen,
schoon zijn vader 't hem verbood.

Midden in de pruimentijd
raakte Jan zijn onschuld kwijt.


De titel en de regels 1,2 en 4 zijn van Hiëronymus van Alphen. De titel is voorzien van een tussen-n, die sinds 1995 in zwang is.