• De Nederlandse poëzie
    stelt niet veel voor. Al jarenlang
    zijn onze dichters o zo bang...
    met metrum en typografie
    en stijlfiguren aan de gang
    te gaan. Of klink ik nu te wrang?
    Maar ik ken nu een goede schrijver:
    ja, leve dikke Ilja Pfeijffer.

    Het tij lijkt nu wel wat te keren,
    voorbij zijn reeds de donk’re dagen,
    want Pfeijffer schrijft zich vele slagen
    de rondte in om te proberen
    met lusten, listen en met lagen
    de dichters op de kast te jagen.
    Hij schrijft zo naarstig en zo nijver:
    ja, leve dikke Ilja Pfeijffer.

    En nu is daar zijn dikste boek.
    Hij gooide dichters in een pan,
    want koken dat die Pfeijffer kan!
    Diverse dichters zijn er zoek,
    als Elsschot, Reve, Eggink, Jan-
    sen… deed hij zo maar in de ban! 
    Wij roepen dus met alle ijver:
    ja, leve dikke Ilja Pfeijffer.

    De Prins der dichters wil hij worden;
    De Wijs en Schippers, aan de kant!
    De beste dichter van het land,
    de prior aller dichtersorden,
    is Pfeijffer, en met straffe hand
    heeft hij die dichters afgebrand.
    En zelf is hij een echte blijver,
    ja, leve dikke Ilja Pfeijffer!

  • 14:05
     

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

De slang (Genesis 3:14)





God schiep in den beginne twintig poten aan de slang
Het lijkt wat ruim bemeten maar zo’n beest is aardig lang
Dat aantal bleek noodzakelijk om recht te kunnen staan
En tevens om van 't aardse slijk en modder vrij te gaan

Ook kreeg de slang als enig dier beheersing van de spraak
En wat -ie te vertellen had was af en toe goed raak
Iets minder dan De Jonge of collega Youp van ’t Hek
Toch kwam er slimme taal uit zijn gespleten slangenbek

Maar op een dag toen werd de slang een beetje eigenwijs
Hij smeerde Eef -De Appel- aan in ’t aardse Paradijs
De Heer ontstak in grote toorn, heeft hem de bek gesnoerd
En ook zijn poten afgehakt, dat vond-ie heel beroerd

Sindsdien sleept hij zijn buik door alle aardse gorenis
En van zijn spraak bleef niets dan slechts wat moedeloos gesis