moestuin2
Foto: Flickr
 
Oh Amstelhof
Ik tuit mijn lof
over die hof van heden
Die vreugde teelt
uit menseneelt
en kromgebogen leden
 
De koude stokt
de lente lokt
de holen uitgekropen!
De tuinder waait
de tuinder zaait
z’n hoofd en handen open
 
De zomer bol
de manden vol
met groente en met vruchten
Het zweet zingt luid
het lichaam uit
in wolkenloze luchten
 
De herfst begint
zie ze in wind
en weer de stelen rapen
De aarde geeft
al wat ie heeft
om daarna te gaan slapen
 
De winter leit
het zwart tapijt
onder een witte deken
De tuinder wacht
tot alle pracht
weer open zal gaan breken
 
Zo draait ie rond
Van grond naar mond
De cirkel van het leven
De zaaier bot
zijn eigen god
het zaad tot vrucht verheven
 
Dus zing de lof
van Amstelhof
waar mensen met hun handen
met harteklop
en riek en schop
de hemel laten landen
 

Een ode aan de moestuin 'Amstelhof' in Amsterdam-Watergraafsmeer 
Opgedragen aan alle moestuinen en moestuiniers in Nederland
Dit gedicht werd genomineerd voor de Duurzaam Dichten Poëzieprijs
 

Log in

Gebruikersnaam en wachtwoord:

Zoeken

Forum Recent

Uit het archief

Sonnet 18



Moet ik u meten met een zomerdag?
Dan bent u milder, u houdt beter maat.
De meiwind brengt het tere groen van slag
en stralend zomerweer, het komt en gaat.

Soms brandt het hemels oog alsof het haat,
hoe vaak verduistert iets zijn gouden gloed!
En al wat groeit verschrompelt vroeg of laat,
nog ongesnoeid, alleen omdat het moet.

Uw eigen zomer blijft voor eeuwig mooi,
verliest geen bloei die aan uw wezen kleeft,
noch kan de Dood u claimen als zijn prooi,
omdat de tijd u tijd van leven geeft.

Zo lang er adem is of ogen zien,
zo lang leeft dit, en leeft u voort mitsdien.


Shall I compare thee to a summer's day?
Thou art more lovely and more temperate:
Rough winds do shake the darling buds of May,
And summer's lease hath all too short a date:

Sometime too hot the eye of heaven shines,
And often is his gold complexion dimm'd;
And every fair from fair sometime declines,
By chance, or nature's changing course, untrimm'd;

But thy eternal summer shall not fade
Nor lose possession of that fair thou ow'st;
Nor shall Death brag thou wander'st in his shade,
When in eternal lines to time thou grow'st;

So long as men can breathe or eyes can see,
So long lives this, and this gives life to thee