Verdrink maar zalig in haar sterrenogen
want daarin straalt de onverganklijkheid
Ze lachen guitig al je zorgen kwijt
Haar milde tranen doen de jouwe drogen
Zie dan dat lief gezicht vol mededogen
waarin een jaar tot nog meer schoonheid leidt
Gerijpt; tot bloei gekomen mettertijd
Het overtreft je voorstellingsvermogen
Ik kan haar niet in een sonnet beschrijven
Mijn fröbelwerk schiet hopeloos tekort
Hoe vurig zij ook door me wordt bewonderd
Ik weet dat ik een dilettant zal blijven
en nooit een serieuze dichter word
Mijn laatste regel is al helemaal altijd volkomen ruk
In al je goedheid en onschuld maak je hier kennis met het flutsonnet. Deze versvorm is in 1598 geïntroduceerd door F. (Frederic) Lut, hoefsmid en sonnettenschrijver, alsmede buurman van William Shakespeare, van wie gefluisterd werd dat ook hij een aardig paardje kon beslaan.
Anyway, bij het flutsonnet gaat het om de laatste regel, volgens het rijmschema abba abba cde cdX.
X is afwijkend van de rest, zowel qua rijm als qua metrum en moet inhoudelijk op een desillusie uitdraaien. Maarrrr! Je mag je er niet al te gemakkelijk van afmaken. Qua metrum (jambische pentameter) en rijm moet hij simpel aangepast kunnen worden aan het schema cde. (Dus in bovenstaand vers is de passende slot regel:
Mijn laatste zin is altijd weer bedonderd.)
In feite is het dus een gewoon sonnet waarvan je eigenlijk zonder goede reden de laatste regel verprutsend vervormt ten behoeve van 'de grandeur van het echec' (naar Jean Pierre Rawie). Geen wonder dat ik het nu inbreng, want met al dat voetbalgedoe gaan mijn gedachten terug naar München 1974...
Van het flutsonnet zijn verder geen voorbeelden bekend. Gek he?
Afijn, wel rukrijm...