Het land van de boer is van regen doordrenkt,
zijn schapen en hij worden elke dag triester,
hij weigert vertroosting door kerk en door priester,
omdat hij dan weer aan zijn weiwater denkt.
Ik ben de wildgroei langs uw beukenhagen Ik ben de slinkse kruiper in uw gras Ik ben welhaast een onuitroeibaar ras Ik ben uw diepe smart, uw jammerklagen
Ik blijf, al gaf u mij een giftig bad Uw immer toegenegen zevenblad