Zij ging naar Utrecht, hij kwam daar vandaan
Zij zwaaiden en dat was hun daaglijks spel
Hij wierp een kushand, maar dat moest dan snel
Zo'n trein blijft immers ook niet eeuwig staan
Hun blije lach was vluchtig, steeds spontaan
Toch liep het spaak met dit verliefde stel
Want op een dag kwam zij niet op appel
Vermoedelijk had zij een nieuwe baan
Het is dus uit, zo was zijn constatering
Want ja, zo gaat dat bij woon-werkverkering